 ͻ
 			 			    			     
      MAD Doetinchem	 	F L E X B A S E     	by: Dick v.Vlodrop   
 			 			    			     
 Ķ
 									     
    Een snel gebruiksvriendelijk database programma dat (bijna) alles kan.  
 	     Versie 2.1 met alfabetisch sorteren op voorkeurveld	     
 		Geschikt voor MSX2, MSX2+ en Turbo-R computers. 	     
 									     
 Ķ
 									     
      Ondersteunt gebruik van:  Externe memorymapper cartridges	     
 				 Video-ram voor data opslag		     
 				 (Geheugenbeheer tot 4 Mb. maximum)	     
 				 DOS1, DOS2 en Harddisk 		     
 				 Vervolgdiskettes voor opslag groot bestand  
 									     
 Ķ
 									     
    U bepaalt zelf:  Hoe Uw electronisch kaartsysteem eruit moet zien.      
 		      Welke gegevens erin moeten komen en waar. 	     
 		      Hoe groot Uw kaart moet zijn.  (maximum 19 regels)     
 									     
    Na het ontwerpen van Uw kaartsysteem met vaste door U te maken teksten  
    en naar wens te plaatsen invulvelden, genereert het programma een nieuw 
    FLEXBASE werkprogramma, hetwelk funktioneert met de door de gebruiker   
    ontworpen kaart. De gebruiker kan FLEXBASE werkprogramma's aanmaken     
    voor meerdere verschillende doeleinden in een ongelimiteerd aantal.     
 									     
 Ķ
 									     
    Ingebouwde rekenfunkties (met maximaal 5 numerieke velden) bieden de    
    mogelijkheid om "FLEXBASE" te gebruiken voor diverse administratieve    
    toepassingen, zoals b.v. voorraadadministratie, contributie betalingen  
    in een clubledenbestand of elk ander denkbaar gebruik van getallen      
    binnen een bestand. Kombineerbaar met zoekfunkties.		     
 									     
 Ķ
 									     
    Er zijn zowel enkel- als meervoudige zoekfunkties beschikbaar. Bij      
    zoekfunkties kan naar keuze worden gezocht in een voorkeurveld, of in   
    een ander veld of in alle velden. Bij meervoudig zoeken selecteert de   
    1e zoekstring de kaart en een 2e en 3e zoekstring maken een fijnere     
    selectie binnen de kaart. Zoekfunkties kombineerbaar met uitprinten.    
 									     
 Ķ
 									     
    4-Kleuren palette voor kleurenmonitor, instelbaar naar eigen voorkeur.  
    Z.g. "highlighted" kleurenpalette voor monochroom monitor.              
    Ingebouwde (programmeerbare-) printerdrivers en conversietabellen voor  
    elk type printer. Ingebouwde printerbuffer voor maximum 128k.	     
 									     
 Ķ
 									     
    Benodigde informatie voor de gebruiker wordt getoond in statusregel.    
    Op 1 voetregel verschijnen aanwijzingen/mededelingen voor de gebruiker. 
    Dit interaktieve kontrolesysteem geeft een 100% beveiliging tegen	     
    bedieningsfouten en/of vergissingen. Er kan niets fout gaan.	     
    Uitgebreidere bedienings-aanwijzingen worden getoond in de vorm van     
    vensters (windows) op het moment dat die nodig zijn of zij zijn als     
    helpfunktie oproepbaar. Daardoor is de gebruiksaanwijzing in feite      
    slechts nodig om vertrouwd te raken met de gebruiksmogelijkheden van    
    het programma. Na het doornemen ervan zal de informatie via het scherm  
    voldoende zijn om probleemloos met het programma te kunnen werken.      
 ͼ


		      ALGEMENE INFORMATIE OVER FLEXBASE
		      

FLEXBASE maak het mogelijk om zelf uw persoonlijke database  (kaartsysteem)
naar eigen smaak en behoefte te ontwerpen. Door het gebruik van een 79 koloms
tekstscherm van 26 regels, is er plaats voor 19 regels. Op elke regel kan een
omschrijving en/of 1 invulveld worden geplaatst. Naar keuze kunnen  maximaal
5 velden worden aangemerkt als "numeriek veld", waarin getalswaarden ingevuld
moeten worden.

Een numeriek veld is een optie, welke in de plaats van een alfanumeriek veld
(tekstveld) mag worden gebruikt als daar behoefte aan bestaat.	Een numeriek
veld heeft een vaste voorgeprogrammeerde lengte van 21 karakters, gelijk aan
de grootst mogelijke lengte voor een (negatief-) getal met dubbele preciesie.
Elk denkbaar getal past dus in de voorgeprogrammeerde lengte.

Een numeriek veld accepteert zowel gewone getallen (met of zonder decimale
punt) alsook andere notaties zoals hexadecimaal, binair en de z.g. wetenschap-
pelijke notatie in enkele en dubbele preciesie. Voor deze andere notaties
gelden dezelfde kriteria als bij MSX-basic. Niet geaccepteerd wordt de notatie
als macht met het "^" tekentje, b.v. 10^12. Dit voorbeeld moet in de vorm
10E+12 of 10D+12 of 10E12 of 10D12 geschreven worden om te worden geaccepteerd.

De rekenfunkties met de numerieke velden, de uitgebreide zoekmogelijkheden en
de printerfunkties, samen met het zelf kunnen ontwerpen van de kaartindeling,
geven een ongekend aantal mogelijkheden, zoals adressen bestand, bibliotheek
voor platen- of CD-verzameling, stamboom-onderzoek documentatie, voorraad-
administratie, clubledenbestand enz. enz. Kortom alles wat in een kaartsysteem
bijgehouden zou kunnen worden, kan met	F L E X B A S E . Deze flexibiliteit
wordt tot uitdrukking gebracht in de naam van het programma.

Het hoofdprogramma is beveiligd tegen kopieren. Er zijn enige goedaardige
virussen welke ogenblikkelijk aktief worden, als het programma zou worden
gekopieerd. Er ontstaat daardoor een onbruikbare kopie, welke niet meer
goed funktioneert. Het virus zal nooit Uw computer of harddisk besmetten.
Het tast uitsluitend een eventuele onrechtmatige kopie aan.

Een werkprogramma, dat door het hoofdprogramma is aangemaakt is wel kopier-
baar. De programma-disk is alleen maar nodig voor het aanmaken van een of
meerdere soorten werkprogramma's en daardoor nauwelijks aan slijtage
onderhevig. Het niet kunnen kopieren is derhalve geen nadelige factor voor
de bonafide kopers van dit programma.

De bijgaande gebruiksaanwijzing is bedoeld om U vooraf vertrouwd te laten
raken met alle mogelijkheden van FLEXBASE. Bij het werken met de programmatuur
geven de vele ingebouwde mededelingen alle informatie, welke U als gebruiker
nodig heeft. Een oproepbaar "helpvenster" kompleteert de informatie, zodat de
gebruiksaanwijzing slechts nodig is om de struktuur van het programma te leren
kennen.  (Op pagina 54 wordt de programma-struktuur globaal getoond)

Alle akties van programma en gebruiker worden voortdurend gekontroleerd. Het
maken van bedieningsfouten, welke het programma zouden verstoren is daarmee
onmogelijk gemaakt. Op kritieke momenten zijn alleen die toetsen die men nodig
kan hebben aktief. Op andere toetsen wordt niet gereageerd.

Bij keuze-mogelijkheden die met "Ja" of "Nee" beantwoord moeten worden, gelden
de toetsen "J" of "Y" (met of zonder shift) als "Ja" en elke andere toets
wordt gezien als "Nee". Dit systeem verhoogt het bedieningsgemak.

Naast deze nederlandstalige versie is een Engels- een Duits-talige versie in
voorbereiding. Deze versies zullen binnenkort verkrijgbaar zijn bij MAD in
Doetinchem.


FLEXBASE brengt diverse veranderingen aan in de instelling van de computer van
de gebruiker. Bij het beindigen van het programma wordt de instelling weer
hersteld, zoals die was bij het opstarten van FLEXBASE.

Indien FLEXBASE wordt gebruikt op een TURBO-R machine, zal die automatisch in
de high speed Ram-mode worden geschakeld, indien dat niet reeds het geval was.
Bij beindigen van het programma wordt de mode weer ingesteld zoals die was
bij het opstarten van FLEXBASE.

FLEXBASE kontroleert o.a. of er voldoende werkgeheugen beschikbaar is. Is dat
niet het geval, dan start FLEXBASE niet op, doch verschijnt op het scherm
een foutmelding met het verzoek om te computer te resetten en FLEXBASE
opnieuw op te starten. Als deze fout optreedt betekent dit, dat er voordat
FLEXBASE werd opgestart een ander programma is gedraaid, hetwelk op minder
korrekte wijze met het werkgeheugen is omgesprongen. Een reset is dan nodig
om de normale situatie te herstellen. Ook als MEMMAM geladen zou zijn krijgt U
deze foutmelding. MEMMAN gebruikt n.l. te veel geheugen.

FLEXBASE bestaat uit 3 delen.

      Deel 1 is de editor om de teksten in te typen, welke als vaste tekst in
      alle kaarten van Uw database moeten staan.

      Deel 2 is het deel, waarin het aantal velden en de grootte van elk veld
      worden vastgelegd. Een veld is een gereserveerde ruimte, waarin
      variabele teksten kunnen worden ingevuld met het werkprogramma.

      Deel 3 genereert een werkprogramma voor de door U ontworpen kaart.

Een met FLEXBASE gemaakt werkprogramma is geschikt om vanaf harddisk te
draaien onder DOS2. Zonder harddisk kan zowel DOS1 als DOS2 gebruikt worden.
Een werkprogramma gebruikt 120k van de 128k Video-ram voor data-opslag.
Dit is een welkome aanvulling van de normale geheugenkapaciteit in ram. Het
werkprogramma draait daardoor eveneens op Japanse machines, welke slechts een
memorymapper van 64k aan boord hebben. Het werkprogramma zoekt zelf naar de
beschikbare hoeveelheid geheugen in memorymappers. Het is in staat om 4096k
(4 Mb.) ram-geheugen te beheren, dus 120k video-ram + 3976k ram. Het ram-
geheugen mag onderverdeeld zijn in maximum 10 memorymappers. Het gaat pas fout
als er via een slotexpander 10 of meer externe memorymapper-cartridges worden
aangesloten, WELKE TEZAMEN MET DE STANDAARD INGEBOUWDE MEMORYMAPPER MINDER DAN
TOTAAL 3976k RAM-GEHEUGEN BEVATTEN. Indien er mr dan 3976k ram-geheugen
aanwezig zou zijn (in maximum 10 memorymappers) dan wordt het meerdere
geheugen niet gebruikt. Het zal waarschijnlijk nooit voorkomen, dat er meer
dan 9 externe memorymapper-cartridges worden aangesloten, doch volledigheids-
halve moest worden vermeld, dat dan de hierboven met hoofdletters vermelde
beperking van toepassing is.

In de gebruiksaanwijzing vindt U naast aanwijzingen voor werken onder DOS 1
ook aanwijzingen voor werken onder DOS 2. Het programma past zich automatisch
aan op het in gebruik zijnde Disk Operating System (DOS). Gebruikers die onder
DOS 1 werken kunnen derhalve de aanwijzingen voor DOS 2 gewoon overslaan en
DOS 2 gebruikers kunnen de DOS 1 aanwijzingen overslaan.

Een met FLEXBASE naar Uw wensen ontworpen kaart kan vele verschillende vormen
hebben. Het werkprogramma, hetwelk door FLEXBASE wordt gegenereerd, past zich
automatisch aan op de details van de ontworpen kaart. Zowel FLEXBASE zelf als
de programmatuur voor het werkprogramma zijn zeer uitvoerig getest op mogelijke
programmeerfouten en tot nu toe bug-vrij bevonden. Indien een gebruiker toch
een of andere fout zou kunnen vinden, wordt die vanzelfsprekend hersteld,
althans indien de gebruiker een redelijke beschrijving kan geven van de
omstandigheden waaronder een fout optrad. Daartoe gelieve men zich schrifte-
lijk te wenden tot de programmeur:

		      Dick van Vlodrop
		      Oosteinde 68
		      6901 KD  Zevenaar.
	 HANDLEIDING  F L E X B A S E DATABASE PROGRAMMA VOOR MSX-2
	 

Indien er meer dan 1 diskdrive aanwezig is, maakt het niet uit welke diskdrive
gebruikt wordt om "FLEXBASE" op te starten. Het programma verwacht echter, dat
de programma-disk in de diskdrive blijft zitten, waarin de disk zat bij het
opstarten. Indien de programma-disk daar later niet aanwezig blijkt, volgt een
foutmelding, als de programma-disk benaderd moet worden.

Het programma draait onder DOS. U dient dus Uw MSX-computer op te starten
onder DOS 1 of DOS 2. Daarna typt U:

	     FLEXBASE  (en U drukt de RET-toets)

om het programma te starten. Het schuifje voor de schrijfbeveiliging moet
gesloten zijn, omdat het programma op bepaalde momenten een file, welke op de
programmadiskette staat moet kunnen benaderen. Als U dit vergeten mocht hebben
zal er niets verkeerd gaan doch U krijgt een foutmelding als er naar de
programma-diskette geschreven moet worden.


KLEUREN-MONITOR OF MONOCHROOM-MONITOR

Na het opstarten verschijnt het ontwerpscherm in 4 kleuren voor een kleuren-
monitor. Voor bezitters van een monochroom-monitor is er een speciale kleuren-
instelling. Met funktietoets F7 kan worden omgeschakeld van kleuren- naar
monochroom-monitor en andersom. De 4 kleuren voor een kleurenmonitor kunnen
door de gebruiker aangepast worden indien de door de programmeur gekozen
kleuren niet overeen komen met de persoonlijke voorkeur. (Zie verderop, pag. 5
bij Funktie F8)


BEELDSCHERMINDELING (26 regels)

Na het opstarten verschijnt er een lege kaart met 19 blanco regels op het
scherm. Daaronder bevindt zich een blanco regel, waarop mededelingen of fout-
meldingen zullen verschijnen als die nodig zijn. Onder deze mededelingen-regel
bevindt zich een z.g. statusregel en een liniaal als hieronder afgebeeld.

Invoeg:AAN   Monitor:Kleur	 F1:Help   Regel:    Kolom:	TIME: 00.00:00
  ----+----1----+----2----+----3----+----4----+----5----+----6----+----7----+

Onder de liniaal is nog een halve blanco regel, waarop de stand van de cursor
wordt aangewezen met het ^ tekentje. De cijfers 1, 2, 3 enz. geven respectie-
velijk de 10e, 20e, 30e enz. positie aan van de cursor. Daarnaast wordt in de
statusregel achter "regel" & "kolom" het regel- en kolomnummer van de cursor
bijgehouden. Hoewel het nummer achter "kolom" in feite dezelfde informatie
bevat als de wijzer onder de lineaal, is voor beide informatiemethoden gekozen
om de gebruiker "elk wat wils" te bieden.

Bij het opstarten staat de editor op invoegmode (Invoeg:AAN). De cursor heeft
nu de 2e achtergrondkleur van de kop- en voetregels. Met de insert-toets
schakelt men om naar de overschrijfmode. (Invoeg:UIT). De cursor krijgt dan de
2e voorgrondkleur van kop- en voetregels. De insert-toets werkt als schakelaar
om heen en terug te schakelen tussen invoeg- of overschrijf-mode.

De tekst "Monitor:Kleur" (of "Monitor:Monochroom") geeft niet alleen aan welk
kleurenpalette ingeschakeld is, doch tevens dat het programma in de editor-
mode geschakeld staat. In andere fases, waarover later meer, wordt deze tekst
vervangen door "VELD RESERVERING" of "WERKPROGRAMMA" om aan te geven in welke
fase van het programma men zich bevindt.

De projektie van de tijd is een extra service, die verder van geen belang is.
Verder vindt U de tekst "F1:Help", welke aangeeft, dat U met funktietoets F1
het helpvenster op kunt roepen met een lijst van de kommando-toetsen.

			      KOMMANDO-TOETSEN
			 
Als funktietoets F1 wordt gedrukt verschijnt onderstaand venster op Uw scherm
met een overzicht van de beschikbare kommandotoetsen.

 Ŀ
   F6:  Regel verwijderen (cursor)  	F7:  Omschakelen kleur/monochroom 
   F2:  Horizontale lijn invoegen   	F8:  Schermkleuren veranderen	  
   F3:  Regel tussenvoegen (cursor) 	F9:  Database progr. genereren	  
   F4:  Kaartontwerp afsluiten      	F10: Programma afbreken 	  
   F5:  Kaartontwerp wijzigen	     	ESC: Helpvenster verwijderen	  
 

De toetsen F2, F3, F4, F6, F7, F8, F10 en ESC zijn aktief bij de editor.

Met F6 kan men de regel verwijderen waar de cursor op staat. Hiermee kunt U
of een reeds ingetypte regel, of een geplaatste horizontale scheidingslijn of
een overtollige blanco regel verwijderen.

Met F2 en F3 kunt U resp. een horizontale scheidingslijn of een blanco regel
invoegen onder de regel, waar de cursor op staat. Daarbij scrollen alle
regels daaronder 1 regel omlaag. Als alle 19 regels van de kaart op het scherm
staan verdwijnt de laatste regel voorgoed van het scherm. Als er op de laatste
regel al tekst is ingevuld, verschijnt er een waarschuwing op de informatie-
regel dat deze tekst verloren dreigt te gaan en er wordt gevraagd of het kom-
mando J/N moet worden uitgevoerd. Dit voorkomt, dat U per ongeluk een tekst-
regel kwijt zou raken bij het invoegen van een blanco- of een scheidings-lijn.
Als de cursor op de laatste regel van de kaart staat kan er geen regel meer
ingevoegd worden. Een opdracht daartoe zal worden geweigerd en op de informa-
tieregel verschijnt een mededeling waarom de opdracht geweigerd werd.

Met F4 verlaat U de editor. Er wordt overgeschakeld naar deel 2, waar de
velden kunnen worden gedefinieerd. Details hierover volgen later.

Met F5 wordt teruggeschakeld van deel 2 naar deel 1, de editor. Daarbij worden
alle reeds gedefinieerde velden gewist om ruimte te maken voor met de editor
in te typen tekst.

Met F7 wordt omgeschakeld tussen kleuren- en monochroom-monitor of andersom.

Het kleurenpalette voor een monochroom-monitor kan niet worden gewijzigd. Dit
is afgestemd op een grotere helderheid van de achtergrond, inplaats van een 2e
achtergrondkleur. Gebruikers, die met deze z.g. "highlighting" niet tevreden
zijn kunnen het kleurenpalette voor een kleurenmonitor gebruiken en de kleuren
daarvan aanpassen, zodat dit wel voeldoet aan de wensen voor een monochroom-
monitor.

Als F8 wordt gedrukt verschijnt een venster met de instelling van de kleur-
waarden van de 4 kleuren. Op de informatieregel worden de aktieve toetsen
voor het wijzigen van de kleuren vermeld. Een en ander wijst zichzelf en
behoeft geen nadere uitleg. Er wordt aangeraden om de huidige kleurwaarden te
noteren, zodat U die eventueel weer kunt herstellen. Ook dient U invoegen op
"AAN" te zetten met de INS-toets VOORDAT F8 wordt gedrukt. Er moet n.l. op
worden gelet, dat de kleuren zo worden gekozen, dat de cursor altijd voldoende
kontrasteert met de andere kleuren. Na wijziging van kleuren kunt U het
kleurinstelvenster verwijderen met de ESC-toets. Het programma onthoudt of de
kleuren werden veranderd. Als U het programma verlaat met de F10 toets, zal
worden gevraagd of de nieuwe kleuren J/N definitief moeten worden opgeslagen.
Indien die vraag met "J" (of "Y") wordt beantwoord, worden de oude kleurcodes
in FLEXBASE op de disk vervangen door de nieuwe. De oude kleurcodes zijn nu
overschreven, vandaar dat U werd aangeraden om de oude kleurwaarden te noteren.
FLEXBASE zal bij opnieuw opstarten de nieuwe kleuren gebruiken.

Toets F9 is alleen aktief als men zich in deel 2 bevindt. Hiermee wordt de
ontwerpfase afgesloten en overgeschakeld naar deel 3 voor het aanmaken
(genereren) van het werkprogramma. Details hierover volgen later.

Met de ESC-toets wordt een op het scherm geplaatst venster verwijderd. Voor
het bedieningsgemak gebeurt dit automatisch als een andere kommandotoets wordt
gedrukt dan de kommandotoets, waarmee het venster werd geplaatst.

			  DE EDITOR (= deel 1)
			  

De editor dient om de vaste teksten voor een kaart in te typen. Voor
bijvoorbeeld een adressenbestand zou dat kunnen zijn:

     Naam/voorletters:
     Adres:
     Woonplaats:
     Postcode:
     
     Opmerkingen:

In dit voorbeeld zijn 6 regels gebruikt, waarvan 1 'n scheidingslijn is. Men
kan b.v. ook een kopregel plaatsen om het soort bestand aan te geven met
daaronder b.v. een scheidingslijn. Op elke regel met tekst kan in deel 2 ruimte
worden toegewezen achter de tekst voor een z.g. veld, waar later de variabele
gegevens kunnen worden ingevuld (in het werkprogramma). Het is niet mogelijk
om een veld te plaatsen vr de tekst op een regel. Een blanco regel kan wel
geheel of gedeeltelijk worden gebruikt als veld. Naar behoefte kunnen dus
blanco regels worden ingevoegd, als men verwacht, dat de overgebleven ruimte
achter de tekst op een regel onvoldoende zal zijn voor de in te vullen varia-
bele gegevens.

Het is niet verplicht om op elke regel een veld te reserveren. Er kan echter
op elke regel maar n veld geplaatst worden. Deze beperking houdt verband met
de diverse zoekfunkties in het werkprogramma. Er zijn 19 regels beschikbaar
zodat er ook maximum 19 velden kunnen worden gedefinieerd.

De vrijheid om de vaste teksten en de velden naar behoefte te plaatsen biedt
ruime mogelijkheden om voor welk doel dan ook een database naar eigen behoefte
te ontwerpen. Het werkprogramma zal vervolgens met dit ontwerp funktioneren.


EDITOR FUNKTIES

De editor is regel gerienteerd. D.w.z. dat bij wissen van karakters met de
BS-toets, het wissen stopt als het begin van een regel is bereikt. Er wordt
dan NIET naar het einde van de vorige regel gesprongen om daar verder te gaan
met wissen.

Bij "INVOEG:UIT" gaat de cursor naar het begin van de volgende regel als de
RET-toets wordt gedrukt.

Als met "Invoeg:AAN" de RET-toets wordt gedrukt wordt er onder de regel waar de
cursor staat een blanco regel ingevoegd. Als er onder of na de cursor
karakters staan, worden die karakters naar het begin van de ingevoegde blanco
regel verplaatst (woordomslag). Indien de cursor aan het begin van een regel
staat zal door het drukken van de RET-toets de gehele regel naar de ingevoegde
blanco regel verplaatst worden. In feite is het resultaat, dat een blanco regel
BOVEN DE CURSOR wordt ingevoegd. Dit is o.a. nodig als men de 1e regel omlaag
wil zetten om daarboven alsnog tekst in te kunnen vullen.

Als het invoegen van een blanco regel (of de woordomslag) ongewenst is dient
men de cursor-omlaag-toets te gebruiken om naar de volgende regel te gaan (of
om te schakelen naar "INVOEG:UIT").

Met F3 kan men een blanco regel invoegen ONDER de regel waar de cursor staat.




Bij het invoegen van een blanco regel scrollen alle onderstaande regels omlaag.
Indien daardoor tekst op de laatste regel verloren zou gaan, wordt de opdracht
niet direkt uitgevoerd, doch verschijnt op de informatieregel een waarschuwing
en wordt gevraagd of de opdracht J/N moet worden uitgevoerd. Men kan daardoor
nooit per ongeluk tekst op de laatste regel kwijtraken.

Tekst die met de returntoets naar de volgende regel is omgeslagen kan terug-
gehaald worden. Als de cursor achter de tekst op de voorgaande regel wordt
geplaatst (of aan het begin van een voorgaande blanco regel) en dan de DEL-
toets wordt gedrukt, wordt de omgeslagen tekst weer teruggeplaatst op de
cursorpositie.

Dit is een o.a. een alternatieve manier om een blanco regel te verwijderen
zonder dat de lengte van de kaart verandert.

Als de cursor een regel met tekst verlaat worden spaties welke achter de tekst
staan gewist om de maximale ruimte voor het plaatsen van een veld te behouden.
De cursortoetsen zijn zo geprogrammeerd, dat de reeds ingetypte tekst wordt
gevolgd. Als b.v. de cursor/links-toets wordt gedrukt, zal de cursor nooit van
het begin van een regel naar het eind van de vorige regel springen, doch naar
het einde van de tekst op de vorige regel. De cursor/rechts-toets werkt ook zo.
Er wordt van het einde van een tekst niet doorgelopen naar het einde van de
regel maar direkt naar het begin van de volgende regel gesprongen. Ook de
cursor/op en de cursor/neer toetsen zoeken steeds het einde van de tekst op
een regel op. Kortom de cursor gedraagt zich alsof de vrije ruimte achter een
tekst niet bestaat.


TIPS VOOR HET ONTWERPEN VAN EEN KAART


Lees eerst de gebruiksaanwijzing van het werkprogramma. Daar vindt U bijzonder-
heden, waarmee U met het ontwerpen van een kaart rekening kunt houden.

Maak eerst uw kaartontwerp in klad op papier. Dat werkt sneller dan het
invullen en herhaaldelijk aanpassen van tekst op het beeldscherm.

Gebruik geen of weinig spaties vr de tekst op een regel. U houdt dan meer
ruimte over achter de tekst voor het plaatsen van een invulveld.

Verwijder ongebruikte blanco regels, waar geen veld zal worden geplaatst. Dit
is niet verplicht, doch geeft een kleine besparing op het geheugengebruik van
het werkprogramma. Als U uw kaartenbestand uit wilt printen bespaart U daarmee
tevens papier.

Gebruik bij een adressenbestand 2 aparte regels voor plaatsnaam en postcode.
Dit geeft voordelen bij het gebruik van de zoekfunkties van het werkprogramma.
De printerfunkties bieden de mogelijkheid om 2 velden achter elkaar te printen
(b.v. postcode afdrukken vr plaatsnaam). Er is dus geen noodzaak om postcode
en plaatsnaam tezamen in 1 veld in te vullen.

Indien U met kaartnummers of -codes wilt werken reserveer dan een aparte regel
voor de code en een veld om nummer en/of code in te vullen. Dit hoeft geen
numeriek veld te zijn om met een zoekfunktie kaartnr. of -code terug te vinden.
(Zie ook pag. 15)

Voordat U funktietoets F4 gebruikt, om over te schakelen naar deel 2,
kontrolere men de ingetypte teksten op schrijffoutjes e.d. Als U die later
ontdekt en met F5 terug moet schakelen naar de editor om verbeteringen aan te
brengen, worden de reeds geplaatste velden gewist. U moet dan na de verbete-
ringen de velden weer opnieuw plaatsen.




INFORMATIE BETREFFENDE VELDEN

U dient het volgende te weten: Het geheugengebruik IN HET WERKPROGRAMMA is
niet afhankelijk van de grootte van de geplaatste velden, doch van het aantal
karakters dat in een veld wordt ingevuld !!  Spaties achter de tekst in een
veld worden niet opgeslagen, doch spaties vr de tekst in een veld wel. Als
U veldteksten links uitgelijnd wenst, dient U het beginpunt van die velden uit
te lijnen. Als U dat met spaties in de veldtekst zou doen gebruikt U n.l.
(onnodig) meer geheugen dan met reeds uitgelijnde veldruimtes zonder spaties
in de veldtekst. Met het bepalen van de lengte van een veld legt U in feite
zichzelf een beperking op voor het aantal karakters, hetwelk U straks in een
veld kunt invullen en dus betreffende het geheugengebruik. Er kan 1 veld per
regel worden geplaatst, dus maximaal 19 velden. Het begin van een veld kan
vrij gekozen worden. Het einde van een regel is de grens voor het plaatsen van
het einde van een veld. Als er meer ruimte in een veld nodig is dan het einde
van de regel toelaat, dan kan de veldruimte verlengd worden door op een vol-
gende blanco regel een vervolgveld te plaatsen.

5 van de 19 velden kunnen worden aangemerkt als "NUMERIEK VELD". In een
numeriek veld kunnen uitsluitend getalswaarden worden ingevuld. Voor de syntax
(schrijfwijze) gelden dezelfde regels als U gewend bent in BASIC. (Zie de
algemene informatie op pagina 2)


		      VELDEN DEFINIEREN (= deel 2)
		      

Om velden te kunnen definieren moet U de editor verlaten door op F4 te drukken.
Op de statusregel verschijnt de tekst "VELDEN RESERVEREN" ten teken dat is
overgeschakeld naar deel 2. Bovendien zit nu onder F1 een ander helpvenster
met een beknopte versie van onderstaande aanwijzingen.

Met de cursortoetsen wordt de cursor geplaatst op de positie waar het begin
van een veld moet komen. Met de SELECT-toets wordt het begin van het tekstveld
vastgelegd en met het ">" teken gemarkeerd. U kunt het begin van een tekstveld
veranderen door de cursor naar links of rechts te verplaatsen en weer op de
SELECT-toets te drukken. Het ">" teken verhuist naar de nieuwe beginpositie.

Het einde van een tekstveld wordt op dezelfde wijze bepaald, doch nu moet de
toetskombinatie SHIFT + SELECT worden gedrukt in plaats van SELECT. Het einde
van een tekstveld wordt met het "<" teken gemarkeerd. U kunt het einde van een
tekstveld veranderen door de cursor naar links of rechts te verplaatsen en weer
op SHIFT + SELECT te drukken. Als het einde van een tekstveld op het einde van
de regel moet komen is er een alternatieve snellere manier. Als de cursor de
regel verlaat (met cursor/op of cursor/neer toets) wordt automatisch het "<"
teken op het einde van de regel geplaatst. Het plaatsen van het einde tekstveld
teken "<" is pas mogelijk als eerst het beginteken ">" is geplaatst. Bovendien
moet het eindteken rechts van het beginteken worden geplaatst. Indien niet aan
deze voorwaarden is voldaan, dan wordt de opdracht geweigerd en op de informa-
tieregel verschijnt een mededeling waarom de opdracht werd geweigerd.

Voor een NUMERIEK VELD in plaats van een tekstveld wordt de cursor geplaatst
op de gewenste beginpositie. Met de toetskombinatie CTRL + SELECT wordt zowel
begin als einde van het numerieke veld gemarkeerd met het "#" teken. Een
numeriek veld heeft n.l. een vaste lengte van 21 posities, welke voldoende is
voor het invullen van de langst mogelijke notatie voor een getal met dubbele
precisie. Er moet vanaf cursorpositie tot einde regel voldoende ruimte zijn
voor de lengte (21) van een numeriek veld, anders volgt een foutmelding.
Een reeds gedefinieerd veld wordt gewist door de cursor op de beginmarkering te
zetten en de DEL-toets te drukken.

De merktekens dienen slechts als indicatie waar de velden geplaatst zijn. In
het werkprogramma zal een veld als oplichtende balk zijn gemarkeerd bij de
regel waarin de cursor staat.


		   GENEREREN WERKPROGRAMMA (= deel 3)
		   

Met funktietoets F9 schakelt U over van deel 2 naar deel 3. Allereerst wordt
een informatie-venster op het scherm gezet. Daarin staat vermeld hoeveel vrij
ram-geheugen in Uw computer werd gevonden, dat beschikbaar zou zijn voor het
werkprogramma. Daarnaast wordt vermeld hoeveel bytes geheugen nodig is voor
opslag van 1 kaart. Tevens wordt vermeld hoeveel kaarten er zouden kunnen
worden opgeslagen als U alle gedefinieerde velden VOLLEDIG ZOU VULLEN met
gegevens. De werkelijke opslagkapaciteit zal aanzienlijk hoger zijn dan het
berekende aantal kaarten omdat de veldruimte zelden geheel zal worden gebruikt.
Het geeft echter in een oogopslag een overzicht van wat U van het werkprogramma
kunt verwachten met de door U zojuist ontworpen kaart.

Dit informatievenster is een handig hulpmiddel om inzicht te krijgen omtrent de
invloed van Uw ontwerp op het geheugenverbruik. Door eerst een proefontwerp
te maken met b.v. slechts enkele vaste regels tekst (deel 1) en een klein
aantal bijbehorende velden (deel 2) en daarna F9 te drukken, kunt U zien
hoeveel geheugen daarvoor nodig is. Door vervolgens met de ESC-toets terug te
gaan naar deel 2 en met F5 terug naar deel 1, kunt U het aantal regels en
velden, of de grootte van de velden uitbreiden. Met F9 kunt U dan direkt
zien welke invloed e.e.a. heeft op het geheugengebruik. Op deze wijze kunt U
snel te weten komen of U zuinig moet zijn met de gedefinieerde lengte van de
velden of juist niet omdat de geheugenkapaciteit van Uw computer ruim voldoende
is voor het aantal kaarten dat U wenst te kunnen opslaan. Het informatiescherm
is toegevoegd als een zinnig hulpmiddel om het kaartontwerp voor Uw persoon-
lijke database zo effektief mogelijk of te kunnen stemmen op Uw wensen en het
beschikbare geheugen.

Als U tevreden bent met Uw kaartontwerp kunt U verder gaan door de RET-toets
te drukken. Hierdoor verdwijnt het informatiescherm. Het wordt vervangen door
een ander venster, waarin U de gegevens in moet vullen voor het aan te maken
werkprogramma. Dit venster ziet er uit als hieronder weergegeven.

Indien DOS 1:

     Ŀ
     		   GENEREREN   F L E X B A S E	WERKPROGRAMMA		  
     Ĵ
     									  
     	Aanwezige logische diskdrive(s):A,B				  
     	Thans is diskdrive 'A' aktief, wilt U die gebruiken ?             
     	Zo ja, druk RET-toets.		   Zo neen, type driveletter.	  
     	A:	  .COM							  
     	Type filenaam voor werkprogramma en druk RETURN 		  
     	(ESC: invoer afbreken)						  
     

De onderste 3 regels van de 6 regels binnen het venster moet U even wegdenken.
Die zijn er nog niet als het venster wordt geopend.

Indien Uw computer 1 diskdrive heeft, heeft U weliswaar 2 logische drives, doch
slechts 1 fysieke drive, welke met disk A of disk B kan werken. In dat geval
valt er weinig te kiezen en dient de RET-toets gedrukt te worden.

Indien Uw computer meerdere diskdrives heeft, staan alle aanwezige drive-
letters vermeld op de 1e regel. Op de 2e regel staat de default-drive. Dat is
de drive van waaruit FLEXBASE werd opgestart en waarin de programmadisk nog
aanwezig hoort te zijn. U kunt nu kiezen voor het op de programmadisk
wegschrijven van het werkprogramma door de RET-toets te drukken of U kunt
een andere diskdrive daarvoor kiezen door de driveletter van de gewenste
diskdrive te typen. Als U een verkeerde driveletter typt, dus een letter welke
niet op de 1e regel voorkomt, zal hierop niet worden gereageerd. De gekozen
driveletter is de diskdrive waarnaar het werkprogramma zal worden weggeschre-
ven. In de 2e regel wordt de opgegeven drive-letter ingevuld.

U dient nu een geformatteerde LEGE DISKETTE in de gekozen diskdrive te plaat-
sen. Indien U geen lege geformatteerde diskette bij de hand heeft, kies dan de
driveletter van de drive, waarin de programmadisk zit. U kunt het werkprogramma
dan later naar een lege disk kopiren. U heeft dan tegelijk een backup-kopie
op de programmadisk staan.

Als de RET-toets werd gedrukt verschijnen de 4e, 5e en 6e regel in het venster
en de cursor komt achter "A:" te staan. Als U een andere diskdrive koos, ge-
beurt hetzelfde, doch inplaats van "A:" staat daar nu de gekozen driveletter.
De tekst van de laatste 2 regels behoeft geen nadere uitleg.

Er kunnen maximaal 8 karakters voor de filenaam worden ingegeven en de BS-
toets kan gebruikt worden voor korrekties. Elk ingetypt karakter wordt
gekontroleerd of het een toegestaan karakter is voor een filenaam. Zo niet,
dan wordt de desbetreffende toetsaanslag genegeerd. Deze kontrole voorkomt dat
DOS 1 een illegaal karakter in de filenaam kan vinden. Dit voorkomt bij
voorbaat een omslachtig gedoe met foutmeldingen en korrekties.

De ingave van de filenaam wordt afgesloten door drukken van de RET-toets.
Direkt daarna begint FLEXBASE met het genereren en naar disk wegschrijven van
het werkprogramma met de filenaam welke U had ingegeven. Zodra dit gereed is
schakelt FLEXBASE terug naar deel 2. U kunt dan kiezen uit: of het programma
afbreken met funktietoets F10 of terugschakelen met F5 naar de editor om verder
te werken met FLEXBASE. Zie verder de gebruiksaanwijzing voor het werkprogramma
vanaf pagina 12.


INDIEN DOS 2:

     Ŀ
     		   GENEREREN   F L E X B A S E	WERKPROGRAMMA		  
     Ĵ
     									  
     	Aanwezige logische diskdrive(s):A,B,C,D,E			  
     	Thans is diskdrive 'D' aktief, wilt U die gebruiken ?             
     	Zo ja, druk RET-toets.		   Zo neen, type driveletter.	  
     									  
     									  
     
				(voorbeeld 1)

Bij het openen van het venster ziet dit er uit als hierboven. Op de eerste
regel vindt U de driveletters van de aangesloten diskdrives. In dit voorbeeld
zou er een harddisk (A,B,C,) kunnen zijn en nog f 1 diskdrive voor diskettes
D of E f er zijn nog 2 diskdrives D en E. Indien Uw computer 1 diskdrive heeft
staan er (in dit voorbeeld) weliswaar 2 driveletters (D & E), doch er is
slechts 1 fysieke drive, welke met disk D of disk E kan werken. In dat geval
moet U natuurlijk nooit drive "E" kiezen, doch drive "D".

Indien Uw computer meerdere diskdrives heeft, zoals in bovenstaand voorbeeld,
dan staat op de 2e regel de default-drive. Dat is de drive van waaruit FLEXBASE
werd opgestart en waarin de programmadisk nog aanwezig hoort te zijn. U kunt nu
kiezen voor het op de programmadisk wegschrijven van het werkprogramma door de
RET-toets te drukken of U kunt een andere diskdrive of de harddisk kiezen door
de driveletter van de gewenste diskdrive te typen. Als U een verkeerde
driveletter typt, dus een letter welke niet op de 1e regel voorkomt, zal hierop
niet worden gereageerd. De gekozen driveletter is de diskdrive waar het werk-
programma zal worden weggeschreven. In de 2e regel wordt de opgegeven drive-
letter ingevuld. U dient nu een geformatteerde LEGE DISKETTE in de gekozen
diskdrive te plaatsen. (indien geen harddisk aanwezig of gekozen)
Indien U geen lege geformatteerde diskette bij de hand heeft, kies dan de
driveletter van de drive, waarin de programmadisk zit. U kunt het werkprogram-
ma dan later naar een lege disk kopiren. U heeft dan tegelijk een backup-
kopie op de programmadisk staan.


Als de RET-toets werd gedrukt verschijnen de 4e en 5e regel in het venster
(zie voorbeeld 2 hieronder) en de cursor komt achter "D:" te staan. Als U een
andere diskdrive koos, gebeurt hetzelfde, doch inplaats van "D:" staat daar nu
de gekozen driveletter. Indien een harddisk is aangesloten kunt U het werkpro-
gramma dus direkt naar de harddisk weg laten schrijven door de driveletter
van de gewenste partition te kiezen.

     	D:								  
     	Subdirectory	J/N  ?						  
     									  
     
				(voorbeeld 2)

Als U de vraag met "J" (of "Y") beantwoordt wordt de tekst alsvolgt gewijzigd:
en de cursor wordt achter "D:\" geplaatst.

     	D:\								  
     	Type naam subdirectory en druk RET				  
     	(ESC: invoer afbreken)						  
     
			   (voorbeeld 3, harddisk)

Indien U een andere toets drukt (staat voor "Nee") dan wordt de venstertekst
alsvolgt en staat de cursor achter "D:". Als de gekozen drive geen harddisk is
krijgt U altijd voorbeeld 4 en niet voorbeeld 3. Het werkprogramma kan n.l.
niet funktioneren met diskettes met daarop subdirectories. Met harddisk wel.

     	D:	  .COM							  
     	Type filenaam voor werkprogramma en druk RETURN 		  
     	(ESC: invoer afbreken)						  
     
			   (voorbeeld 4, diskette)

Bij voorbeeld 4 kunnen maximaal 8 karakters voor de filenaam worden ingegeven
en de BS-toets kan gebruikt worden voor korrekties. Elk ingetypt karakter wordt
gekontroleerd of het een toegestaan karakter is voor een filenaam. Zo niet,
dan wordt de desbetreffende toetsaanslag genegeerd. Deze kontrole voorkomt dat
DOS 2 een illegaal karakter in de filenaam kan vinden en een omslachtig gedoe
met foutmeldingen en korrekties kan ontstaan.

De ingave van de filenaam wordt afgesloten door drukken van de RET-toets.
Direkt daarna begint FLEXBASE met het genereren en naar disk wegschrijven van
het werkprogramma met de filenaam welke U had ingegeven. Zodra dit gereed is
schakelt FLEXBASE terug naar deel 2. U kunt dan kiezen uit f het programma
afbreken met funktietoets F10 f terugschakelen met F5 naar de editor om verder
te werken met FLEXBASE. Zie verder de gebruiksaanwijzing voor het werkpro-
gramma op pagina 12.

HARDDISK
========
Bij voorbeeld 3 kunnen maximaal 8 karakters voor de naam van de subdirectory
worden ingegeven en eventueel een scheidings punt + maximaal 3 karakters voor
een extension. Ook nu wordt elk karakter gekontroleerd als bij voorbeeld 4
(zie hierboven). De ingave van de subdirectory wordt afgesloten door de RET-
toets te drukken. als we aannemen, dat de subdirectory-naam "UTILITY.MSX" was,
dan ziet het venster er na de returntoets alsvolgt uit:

     	A:\UTILITY.MSX							  
     	Nog een subdirectory	J/N  ?					  
     	(ESC: invoer afbreken)						  
     
				(voorbeeld 5)




U kunt nu een volgende subdirectory intypen als U "J" (of "Y") kiest, net
zoals de 1e subdirectory. Ook nu wordt het backslash teken "\" weer geplaatst
achter de reeds ingetypte subdirectory. U kunt zo meerdere subdirectories
intypen. Het programma houdt in de gaten of de maximale lengte van 63 karakters
voor een pad (subdirectories + filenaam) dreigt te worden overschreden. Zodra
dit het geval is worden de laatste 2 regels in het venster zoals bij voorbeeld
4 en moet de filenaam worden ingegeven. Uiteindelijk zou het resultaat kunnen
zijn als hieronder weergegeven:

     	A:\UTILITY.MSX\FLEXDIR\WERKPR-1.COM				  
     	Type filenaam voor werkprogramma en druk RETURN 		  
     	(ESC: invoer afbreken)						  
     
			   (voorbeeld 6, harddisk)

Als nu op de RET-toets wordt gedrukt begint FLEXBASE met het genereren en naar
harddisk wegschrijven van het werkprogramma naar de subdirectory en met de
filenaam welke U had ingegeven. Zodra dit gereed is schakelt FLEXBASE terug
naar deel 2. U kunt dan kiezen uit of het programma afbreken met funktietoets
F10 of terugschakelen met F5 naar de editor om verder te werken met FLEXBASE.
Zie verder de gebruiksaanwijzing voor het werkprogramma op pagina 12 e.v.

De volledig gekontroleerde input van subdirectories en/of filenaam en de
automatisch ingevulde backslash tekens, garanderen dat de z.g. padnaam 100%
korrekt is. Dit maakt het bij voorbaat onmogelijk dat DOS 2 een fout zou
kunnen vinden, waardoor een heel gedoe met foutmeldingen en korrekties zou
ontstaan. Nu kan het alleen maar op de juiste manier.

Als U het te generen werkprogramma naar een subdirectory wilt laten wegschrij-
ven, moet die subdirectory natuurlijk al bestaan. Is dit niet geval, dan kunt
U het werkprogramma weg laten schrijven naar de diskette met het hoofdprogramma
zoals hiervoor beschreven onder "DOS 1". De subdirectory kunt U dan later
aanmaken en het werkprogramma daar naartoe kopiren.

































		 INLEIDING   F L E X B A S E   WERKPROGRAMMA
		 


Het werkprogramma beheert het beschibare geheugen tot een maximum van 4080k
ofwel ca. 4 megabytes (inclusief 120k video-ram). Bij grote bestanden moet de
data ook opgeslagen kunnen worden. Voor bezitters van een harddisk is er
uiteraard geen probleem. Op een dubbelzijdige diskette is echter maximaal 713k
ruimte voor files. Op een enkelzijde diskette is dat maar 354k.

Om toch grote bestanden op diskette te kunnen opslaan zijn dus meerdere
diskettes nodig. Het werkprogramma werkt met een vervolgdiskette-systeem indien
er geen harddisk aanwezig is (of niet wordt gebruikt). Om een groot bestand,
hetwelk op meerdere diskettes is opgeslagen, altijd in de juiste volgorde weer
in te kunnen laden, moet het programma kunnen herkennen of de diskettes in de
juiste volgorde worden aangeboden. De 1e diskette is uiteraard de diskette met
het werkprogramma. Als herkenningsteken wordt op die eerste diskette een lege
file gezet met de filenaam 'DISK-A.FLX'. Zodra de,diskette vol raakt, vraagt
het programma om een vervolgdiskette te plaatsen. Dat moet een lege diskette
zijn welke enkel- of dubbelzijdig geformatteerd is.

Op de vervolgdiskette wordt als 1e file ook weer een lege file gezet met de
naam 'DISK-B.FLX'. Bij elke volgende diskette wordt in de filenaam 'DISK-?.FLX'
een volgende letter gebruikt op de plaats van het vraagteken. Een bestand van
4 megabytes kan aldus worden opgeslagen op 6 dubbelzijdige- of 12 enkelzijdige
diskettes.

De lege herkenningsfile op de DISKETTE MET HET WERKPROGRAMMA dient om het ver-
schil te kunnen zien tussen deze diskette en een diskette met b.v. een back-up
kopie van het werkprogramma. De herkenningsfile wordt pas geplaatst als de 1e
maal een bestand naar de diskette wordt geschreven. Als de herkenningsfile op
de diskette staat, staat er dus ook een data-file op waarin de bestanddata is
opgeslagen. Bij het opstarten wordt de filenaam van het werkprogramma bewaard.
Deze naam zorgt er ook voor, dat er vr het wegschrijven van een bestand ge-
kontroleerd kan worden of nog dezelfde diskette aanwezig is als waarmee het
werkprogramma werd opgestart. De herkenningsfile "vertelt" het programma, dat
er al eerder een bestand werd gesav'ed.

De data-file krijgt dezelfde naam als het werkprogramma met de extensie 'FLX'
i.p.v. 'COM'. Bij vervolgdiskettes wordt de eerste filenaam gelezen. Als er
geen 1e filenaam is dan "weet" het programma dat het een lege diskette is,
welke de 1e maal gebruikt wordt en waarop de lege file met de volgende
herkenningsletter moet worden geplaatst vrdat er data wordt weggeschreven.
Is er wel een 1e filenaam aanwezig, dan wordt gekontroleerd of die filenaam de
juiste herkenningsletter bevat. Hierdoor is gegarandeerd, dat vervolgdiskettes
uitsluitend in de juiste volgorde worden beschreven of gelezen. De data van
een bestand op meerdere diskettes kan daardoor nooit door de war raken.

De ogenschijnlijk nutteloze lege file, heeft aldus een onmisbare funktie
binnen het kontrolesysteem. Het b.v. wissen van die lege file zou tot gevolg
hebben, dat het bestand niet meer goed kan worden ingeladen en onbruikbaar
wordt. Het beste kontrolesysteem kan immers niet meer goed funktioneren als
de kontrole-gegevens worden gewijzigd !!!  Aangezien een bestand al vrij groot
is als vervolgdiskettes gebruikt moeten worden, zou e.e.a. desastreus zijn.

ͻ
 Bovenstaande uitleg van het vervolgdiskette-systeem heeft als doel om U     
 ervan te doordringen, dat de filenamen op de diskette met het werkprogramma 
 en eventuele vervolgdiskette(s) ABSOLUUT NIET VERANDERD MOGEN WORDEN !!!!   
 Ook dienen geen andere files op die diskettes te worden gezet. Daardoor zou 
 het laden en saven van het bestand n.l. trager worden.		      
Ķ
 Als Uw MSX-computer meer dan 512k geheugen heeft (inclusief memorymapper    
 cartridges), zorg er dan ALTIJD voor een lege geformatteerde diskette bij   
 de hand te hebben. U wordt dan nooit verrast als er een diskette vol raakt! 
ͼ
	       HANDLEIDING   F L E X B A S E   WERKPROGRAMMA
	       

Een werkprogramma draait onder DOS 1 of DOS 2. U dient dus de computer op te
starten onder DOS. Als U geen harddisk heeft kunt U de Dos-files COMMAND.COM
en MSXDOS.SYS eventueel kopiren naar de werkdiskette. (nooit op vervolg-
diskettes !!) Dit dient U bij voorkeur te doen VOORDAT U de 1e maal gaat
werken met het programma. Het saven en laden van een data-bestand zal n.l. iets
vlotter verlopen als het data bestand de laatste file op de werkdiskette is.
U kunt nu DOS opstarten met de werkdiskette in drive "A" door Uw computer te
resetten (of in te schakelen). Door vervolgens de filenaam van het werkpro-
gramma te typen en <return> te drukken start het werkprogramma op. Bij gebruik
van een monochroom-monitor dient de TAB-toets te worden gedrukt voor het om-
schakelen naar het daarvoor bestemde kleurenpalette.

Indien de computer al eerder onder DOS was opgestart, is het mogelijk dat het
programma niet opstart, doch de volgende mededeling op Uw scherm verschijnt:
"Onvoldoende TPA-memory in page 3. Reset computer en start dit programma
opnieuw". Dit betekent, dat f "MEMMAN" nog genstalleerd is (gebruikt veel
meer geheugen dan het eigen geheugenbeheer van het werkprogramma) f er is een
ander programma gedraaid, hetwelk geheugen had gereserveerd en niet vrijge-
geven. De mededeling geeft de aanwijzing hoe dit euvel wordt verholpen.
Indien er al eerder met het werkprogramma is gewerkt zal het daarbij aange-
maakte bestand automatisch worden geladen evenals een aantal instellingen welke
U daarbij had gemaakt. Daarna wordt de 1e kaart op het scherm gezet. Als er nog
geen bestand op de werkdiskette staat verschijnt de mededeling:

    "Er is geen bestand aanwezig op deze diskette. Programma afbreken J/N  ?"

Waarom deze zinloos lijkende mededeling ?  Als U een backup-kopie heeft
gemaakt van het werkprogramma en per ongeluk deze kopie in de diskdrive heeft
geplaatst, dan start het programma normaal op, doch er is geen bestand aanwezig
op de kopie. De mededeling maakt U erop attent, dat niet de werkdiskette, doch
een kopie in de diskdrive zit. Door toets "J" te drukken wordt het programma
afgebroken om de diskette te wisselen en opnieuw te starten. Als het programma
DE EERSTE KEER wordt opgestart is het NORMAAL dat er nog geen bestand is.
In dat geval drukt U een andere toets dan toets "J" of "Y" om verder te gaan.
Net als bij het hoofdprogramma geldt dat voor "JA" de toetsen J, j, Y en y
gebruikt kunnen worden. Elke andere toets wordt beschouwd als "NEE". Als men
veel met DOS werkt is men gewend om de letter "Y" voor "yes" te moeten gebrui-
ken. Als men nu uit gewoonte toets "Y" gebruikt i.p.v. "J" is er niets aan de
hand omdat dit eveneens als "JA" geldt.

Na het opstarten (zonder aanwezig bestand) wordt een lege kaart op het scherm
gezet. Het bovenste veld is gemarkeerd als een oplichtende balk bij een mono-
chroom monitor of met een gekleurde balk bij een kleuren monitor. De cursor
staat in het begin van het veld. Op de statusregel staat van links naar rechts:
Het indexnummer van de in te vullen kaart, de aard van het veld waar de cursor
staat (numeriek- of alfanumeriek veld) en verder "HELP F1", het regel- en
kolomnummer van de cursorpositie en de tijdteller. De regel boven de status-
regel is gereserveerd als info-regel. Hier verschijnen of foutmeldingen of
aanwijzingen.

Door drukken op funktietoets "F1" verschijnt het onderstaande helpvenster met
de kommando toetsen en de daarbij behorende funkties. F7, F8 en F9 geven
toegang tot menu's en vensters met een ruim aantal keuzemogelijkheden, welke
verderop in detail besproken zullen worden. Onderstaand helpvenster is oproep-
baar als er geen ander venster op het scherm staat.
     Ŀ
     	F2: Ingevulde kaart opslaan  	F7:  Zoekfunkties	      
     	F3: Volgende kaart tonen     	F8:  Rekenfunkties	      
     	F4: Vorige kaart tonen	     	F9:  Printerfunkties	      
     	F5: Nieuwe kaart invullen    	F10: Programma saven/afbreken 
     	F6: Kaart wissen uit bestand 	TAB: Kleur/monochroom monitor 
     	SELECT: Kaartnummer kiezen   	ESC: Venster verwijderen      
     
VERWERKINGS-SNELHEID.

Dit programma is op pure snelheid geschreven. De zeer grote bestanden (tot 4
megabytes) welke het programma aan kan, eisen ook een zo hoog mogelijke verwer-
kingssnelheid. Een test met een kaartenbestand van 3000 kaarten (1400k data)
op een Turbo-R computer met harddisk gaf als resultaat: Laden werkprogramma
+ opstarten + laden bestand in 10 sekonden. Op een MSX-2 (met harddisk), welke
op 3.57 MHz. draait zou genoemde tijd ca. 40 sekonden zijn. Zonder harddisk is
de traagheid van de diskdrive de belangrijkste factor voor de snelheid voor
laden en saven. De test op Turbo-R + harddisk toonde dat de, terwille van de
verwerkingssnelheid, gekozen interne structuur met een genummerde index een
verantwoorde keuze is t.a.v. de verwerkingssnelheid. De consequentie daarvan
is, dat het indexnummer niet een kaartnummer is met een onveranderlijke
relatie met een bepaalde kaart. De index bevat de gegevens om de inhoud
van een bepaalde kaart terug te vinden in het geheugen. Het indexnummer is
tevens een plaatsaanduiding waar de index in het geheugen staat.


VERANDERLIJK INDEXNUMMER

De betekenis van het bovenstaande wordt duidelijk met het volgende voorbeeld:

Als bij een bestand van b.v. 10 kaarten de 4e kaart GEWIST WORDT, wordt niet
de kaartdata gewist, doch wordt de index voor kaart 4 vernietigd door de
index nr. 5 t/m 10 te kopiren naar index nr. 4 t/m 9. De gegevens om kaart
nr. 5 t/m 10 te vinden zijn niet veranderd, doch staan nu in index nr. 4 t/m 9.
De indexnummers, welke bij de kaarten hoorden, zijn aldus veranderd. De index
bevat nu gegevens voor 9 kaarten i.p.v. 10. Het indexnummer hoort dus niet bij
een bepaalde kaart, doch fungeert uitsluitend als een door het programma te
gebruiken adres, waar de gegevens om de kaart terug te vinden zijn opgeslagen.


VOORKEURVELD

Als het werkprogramma de 1e maal wordt opgestart, wordt het bovenste veld van
de kaart gekozen als "voorkeurveld". Bij FLEXBASE, versie 2 (deze versie)
wordt de index alfabetisch gesorteerd op de inhoud van het voorkeurveld. Als
het bovenste veld NIET het veld is, waarop U het bestand wenst te laten
sorteren, dient U een ander veld te kiezen als voorkeurveld. Zie pagina 20 hoe
U een voorkeurveld kunt kiezen of veranderen.


ALFABETISCH SORTEREN

Er wordt gesorteerd tot maximum 16 karakters vanaf het begin van het voorkeur-
veld. Deze begrenzing beperkt de benodigde sorteertijd. Bij sorteren wordt
GEEN ONDERSCHEID gemaakt tussen kleine- en hoofdletters. Omdat alleen gesor-
teerd kan worden op het asciinummer van de karakters, komen cijfers vr
letters. U dient er rekening mee te houden, dat bij sorteren van getallen b.v.
"2" in ascii groter is dan b.v. "19" (vanwege het 1e cijfer). Na sorteren van
b.v. de getallen 1 t/m 25 wordt de gesorteerde volgorde:

     1,10,11,12,13,14,15,16,17,18,19,2,20,21,22,23,24,25,3,4,5,6,7,8,9

Om een veld met getallen korrekt te kunnen sorteren, moet U ervoor zorgen, dat
alle getallen uit evenveel cijfers bestaan, door er zonodig een aantal malen
het cijfer nul vr te typen. Voor zoeken in het voorkeurveld is de gesorteerde
volgorde onbelangrijk. Voor printen van ALLE kaarten of VELDEN VAN ALLE KAARTEN
wordt echter de gesorteerde volgorde gebruikt. Als het een veld met een post-
code betreft, is er niets aan de hand omdat postcodes altijd even lang zijn. Is
het voorkeurveld echter een numeriek veld of een alfanumeriek veld, waarin ook
cijfers ingevuld zijn, dan moet U er dus voor zorgen dat een cijferreeks altijd
uit een zelfde aantal cyfers bestaat (zie boven) anders is korrekt sorteren
niet mogelijk en het printen in de juiste numerieke volgorde ook niet !!


VAST KAARTNUMMER

Wie een vast eigen kaartnummer wenst te gebruiken kan dit doen door bij het
ontwerpen van de kaart een apart veld of het begin van 'n veld te bestemmen
voor een eigen kaartnummer en zelf een volgnummer in dat veld te typen bij het
invullen van een kaart. Zulk een kaartnummer moet d.m.v. vrloop-nullen steeds
uit een zelfde aantal cijfers bestaan. Voor de sorteer- en zoekfunkties is een
eigen kaartnummer slechts een aantal karakters zonder numerieke betekenis.
Daarom hoeft een veld voor een eigen kaartnummer geen numeriek veld te zijn.
Door vervolgens het betreffende veld als voorkeurveld te kiezen zal op Uw eigen
kaartnummer gesorteerd worden. U kunt ook een lettercode gebruiken i.p.v. een
eigen kaartnummer. Daarbij dient U er rekening mee te houden dat bij sorteren
geen onderscheid wordt gemaakt tussen kleine- en hoofdletters.


			KAARTEN INVULLEN OF WIJZIGEN
			

Na het opstarten wordt altijd de kaart met indexnr. 1 op het scherm gezet. Als
er nog geen bestand was, dat geladen kon worden is dat een lege kaart. De
cursor staat in het begin van het bovenste veld. Als er een bestand is geladen
en er tekst in het bovenste veld is, staat de cursor achter de tekst in het
bovenste veld. Na het opstarten staat de editor in z.g. invoegmode, hetgeen te
zien is aan de "streepvorm" van de cursor. Bij de overschrijfmode is de cursor
blokvormig. Met de INSERT-toets kan heen- en teruggeschakeld worden tussen
overschrijf- en invoegmode.

De editor is veld georienteerd. D.w.z. dat het begin en het einde van een veld
(gemarkeerd als oplichtende balk) de grenzen zijn voor het intypen van tekst of
een numerieke waarde. Met de toetsen 'cursor/up' en 'cursor/down' wordt de
cursor naar resp. een hoger of een lager veld gestuurd. I.p.v. 'cursor/down'
kan ook de returntoets worden gebruikt. Binnen 'n veld zijn de normale editor-
toetsen aktief, zoals DEL, BS, CURSOR/LINKS  en CURSOR/RECHTS.

De volgorde waarin de diverse velden ingevuld of gewijzigd worden is van geen
belang. Spaties, welke ACHTER het laatste karakter in een veld zijn getypt,
worden verwijderd zodra de cursor de desbetreffende regel verlaat of de kaart
in het bestand wordt opgeslagen. Hierdoor wordt het geheugengebruik zo laag
mogelijk gehouden.

Als de cursor in een als 'NUMERIEK' gemerkt veld staat, verandert in de status-
regel de aanduiding 'ALFANUMERIEK VELD' in 'NUMERIEK VELD'. Er moet dan een
numerieke waarde worden ingevuld, welke voldoet aan de syntax (schrijfwijze)
zoals bij MSX-basic. Naast een gewoon getal met of zonder decimale punt is dus
eveneens de notatie voor een getal met enkele/dubbele precisie toegestaan even-
als de notatie &H.... of &B........  Zodra de cursor een numeriek veld moet
verlaten, wordt gekontroleerd of de schrijfwijze korrekt is. Zo niet, dan ver-
schijnt een foutmelding op de info-regel. De foutieve schrijfwijze moet worden
verbeterd (of het foutieve getal moet geheel worden verwijderd), voordat het
programma de cursor inderdaad verplaatst naar een hoger of lager gelegen veld.
Het is dus onmogelijk om verder te gaan, zolang er een getalswaarde in een
numeriek veld staat, welke een onjuiste schrijfwijze vertoont.

Zodra een kaart geheel of gedeeltelijk is ingevuld (of gewijzigd) moet de
kaartinhoud nog definitief in het bestand worden opgeslagen. Dit gebeurt als
funktietoets F2 wordt gedrukt. Een nieuwe (of gewijzigde-) kaart wordt ergens
in het geheugen opgeslagen. De index van de nieuwe- of gewijzigde kaart wordt
echter op alfabetisch volgorde (van het voorkeurveld) ingevoegd in de index.
Vervolgens wordt een lege kaart op het scherm gezet met het volgende index-
nummer om ingevuld te worden. Indien verzuimd wordt om F2 te drukken, "weet"
het programma dat de kaartinhoud nog niet in het bestand is opgenomen en
zodra er een andere kommandotoets wordt gedrukt dan F2 verschijnt op de info-
regel de mededeling "Kaart welke op scherm staat werd gewijzigd. Wijzigingen
opslaan ?  J/N". Indien het een gewijzigde kaart betreft, dan worden de wijzi-
gingen geannuleerd indien met "N" wordt geantwoordt. Bij een ingetypte nieuwe
kaart wordt bij "N" alles wat ingetypt was geannuleerd.
				KOMMANDOTOETSEN
			   

Funktietoets F1

Oproepen van helpvenster (zie pag. 14) waarin alle overige kommandotoetsen
en hun hoofdfunktie staan vermeld. Zolang het bestand nog leeg is, funktioneren
alleen de toetsen F10, TAB en ESC. Alle andere kommandotoetsen geven de fout-
melding "Bestand nog leeg".


Funktietoets F2

Opslaan van nieuw ingevulde- of gewijzigde kaart in het bestand. Indien het een
gewijzigde kaart betreft gaat de oude kaartinhoud verloren. Indien F2 wordt
gedrukt, terwijl er een lege kaart op het scherm staat, volgt een foutmelding
op de info-regel. Het programma weigert n.l. om waardevolle geheugenruimte te
verspillen aan het opslaan van lege kaarten.


Funktietoets F3

Volgende kaart uit het bestand tonen. Indien er geen volgende kaart is, wordt
er een lege kaart op het scherm gezet. Indien er al een lege kaart op het
scherm staat bij het drukken van F3, verschijnt de mededeling:"Er is geen
volgende kaart (invulkaart op scherm). Laatste kaart tonen ?  J/N".

Deze mededeling heeft zijn nut als men door INGEDRUKT HOUDEN van F3 probeerde
om de laatste kaart op het scherm te krijgen. Men komt dan in bovengenoemde
situatie terecht en de mededeling wijst U de weg om de gewenste laatste kaart
op het scherm te krijgen i.p.v. de lege kaart.


Funktietoets F4

Vorige kaart uit het bestand tonen. Indien er geen vorige kaart is, verschijnt
de volgende mededeling in de info-regel: "1e Kaart staat op scherm.  Druk een
toets". Door drukken van 'n toets wordt de mededeling gewist.


Funktietoets F5

Er wordt een lege kaart op het scherm gezet met het hoogste vrije indexnummer,
welke ingevuld kan worden. Dit is tevens een manier om naar het einde van het
bestand te gaan. Door drukken van F5 en vervolgens F4 krijgt men zonder enige
wachttijd de laatste kaart uit het bestand op het scherm.


SELECT-toets

Na drukken van de select-toets verschijnt de tekst: "Type nummer van te tonen
kaart:	  ". Als nu b.v. "1" wordt getypt en <return> wordt gegeven, springt
het programma naar de kaart met indexnr. 1 en toont die op het scherm. Men kan
ook door ingedrukt houden van F4 naar elk gewenst lager indexnummer toe gaan,
doch dat kost tijd om alle kaarten achtereenvolgens op te zoeken en te tonen.
Bij kleine bestanden is de methode 'F4 ingedrukt houden' het snelste. Bij
grotere bestanden is drukken van de select-toets en kaartnummer intypen
sneller. De selecttoets-funktie heeft men o.a. nodig, als men met toets F3,
een voor een, de kaarten welke in het bestand staan zou willen bekijken.


TAB-toets

Hiermee schakelt men het kleurenpalette om voor kleuren- of monochroom-
monitor. Het kleurenpalette zelf is uitsluitend instelbaar in het FLEXBASE
hoofdprogramma. (Er wordt opgestart met palette voor kleurenmonitor.)
		       ZOEKFUNKTIES (Funktietoets F7)
		       

Funktietoets F7 geeft toe-    Ŀ
gang tot alle beschikbare      	    MENU 1: ZOEKFUNKTIES	     
zoekfunkties. Allereerst      Ĵ
wordt nevenstaand menuvenster   [ 1 ]	Zoeken in (begin) voorkeurveld	     
op het scherm gezet. Bij het    [ 2 ]	Zoeken in (begin) ander veld	     
openen van het venster licht    [ 3 ]	Zoeken in alle velden		     
de letter "N" op van optie 6    [ 4 ]  Preset voorkeurveld instellen        
ten teken, dat bij het zoeken   [ 5 ]	Meerdere strings zoeken (Menu 2)     
geen onderscheid wordt ge-      [ 6 ]	Onderscheid hoofd/kleine letters J/N 
maakt tussen grote en kleine    [ 7 ]	Zoeken naar numerieke waarde (Menu 3)
letters. Door op cijfertoets   	   (Kies gewenste nummer)	     
6 te drukken wordt omgescha-    [ESC]	Dit menu verwijderen		     
keld naar het alternatief     
"wel onderscheid" tussen grote/kleine letters en licht de "J" op i.p.v. de "N".
Cijfertoets 6 werkt als schakelaar om heen en terug te schakelen tussen J/N.
Alle beschikbare zoekakties kunnen gekombineerd worden met printerfunkties of
met rekenfunkties . Details vindt U in de desbetreffende hoofdstukken. Tijdens
zoekakties wordt het indexnummer in de statusregel bijgehouden, zodat men kan
zien hoe het zoeken vordert (en hoe snel dit gaat).

Alles wat op het scherm staat kan worden uitgeprint. Met zoekakties gevonden
kaarten kunnen of nmalig of automatisch worden uitgeprint. Het is ook moge-
lijk om alleen vooraf geselecteerde velden uit een gevonden kaart uit te
printen (voor b.v. etiketten e.d.) Details daarover vind U in het hoofdstuk
printerfunkties.


VOORKEURVELD

Bij opstarten van het programma wordt het voorkeurveld ingesteld als gekozen
tijdens het vorige gebruik van het werkprogramma. (Bij de allereerste start
wordt het bovenste veld het voorkeurveld.) Bij het laden van het bestand worden
de eerste 3 karakters van het voorkeurveld van elke kaart in de index voor die
kaart geplaatst. Bij het met F2 opslaan in het bestand van een nieuwe- of
gewijzigde kaart (zie pag. 17) gebeurt hetzelfde. Bij het zoeken naar een
karakterstring (zoekstring) in het begin van een voorkeurveld, hoeft daarom
alleen in de index "gekeken" te worden of de eerste 3 karakters overeenkomen
met de zoekstring. Pas als de 1e 3 karakters identiek zijn, wordt de inhoud van
de kaart opgezocht en "gekeken" of de overige karakters van de zoekstring ook
identiek zijn. Doordat bij dit zoeksysteem slechts zelden de kaartinhoud opge-
zocht behoeft te worden, werkt het zoeken met optie 1 verbluffend snel. Elk
veld kan, indien gewenst, als voorkeurveld worden ingesteld. (Zie verderop bij
optie 4.) Alle andere zoekfunkties werken ook zeer snel, doch zoeken met optie
1 in het voorkeurveld is het snelst.


FUNKTIE F7 - OPTIE 1  (zoeken in begin voorkeurveld)

Als optie 1 is gekozen wordt het menuvenster verwijderd. In de statusregel
wordt achter het huidige kaartnummer de tekst "Veld op regelnr: ??" geplaatst.
Op de plaats van de vraagtekens staat dan het regelnummer van het voorkeurveld.
Op de info-regel verschijnt de tekst:

     "Type zoekstring (begin veld):                      + <return>"

De cursor staat achter de dubbele punt en er kan nu een zoekstring ingetypt
worden met een lengte van maximaal 20 karakters. Voor verbetering van type-
foutjes dient de BS-toets te worden gebruikt. Als er 20 karakters zijn getypt
wordt alleen nog maar gereageert op de BS-toets of de returntoets.

Zodra de returntoets is gedrukt wordt de tekst op de info-regel vervangen door
"Zoekstring: ............". Op de plaats van de puntjes staat de getypte zoek-
string. Het zoeken wordt gestart. Indien de zoekstring niet aanwezig blijkt,
wordt de tekst op de info-regel vervangen door: "NIET GEVONDEN     ** Druk
een toets **"     Deze tekst wordt gewist zodra er een toets is gedrukt.

Als de zoekstring is gevonden, wordt de kaartinhoud op het scherm gezet met
de cursor achter de gevonden zoekstring. Op de rechterzijde van de info-regel
verschijnt de tekst:   "Verder zoeken ?   J/N".         Door toets "J" of "Y"
te drukken wordt verder gezocht naar de zoekstring in de resterende kaarten.
Indien een andere toets wordt gedrukt (staat voor "Nee") wordt de info-regel
gewist en de gevonden kaart blijft op het scherm staan.


FUNKTIE 7 - OPTIE 2   (Zoeken in begin ander veld)

Als optie 2 is gekozen zal optie 2 in het menu oplichten evenals een vakje
daarachter, waarin de cursor wordt geplaatst. Op de info-regel verschijnt de
tekst: "Regelnummer van (zoek-)veld invullen achter optie."  Deze tekst spreekt
voor zichzelf. Het regelnummer van het veld, waarin gezocht moet worden moet
worden getypt en zal in het vakje verschijnen waar de cursor staat.

Voor verbetering van typefoutjes dient de BS-toets. Zodra de returntoets wordt
gedrukt wordt gekontroleerd of op dit regelnummer een veld aanwezig is. Zo niet
dan volgt een foutmelding op de info-regel en moet eerst het regelnummer ver-
beterd worden, voordat men verder kan gaan.

Als het regelnummer korrekt is wordt het menuvenster verwijderd en alles ver-
loopt verder hetzelfde als bij optie 1 op de vorige pagina is beschreven.

Indien het regelnummer van het voorkeurveld zou worden opgegeven, zal de zoek-
funktie weliswaar korrekt en snel worden afgewerkt, doch niet met iets hogere
snelheid van optie 1. Omdat alleen IN HET BEGIN van het opgegeven veld gezocht
hoeft te worden is optie 2 beduidend sneller dan optie 3, doch iets trager dan
optie 1.


FUNKTIE F7 - OPTIE 3   (Zoeken in alle velden)

Als optie 3 is gekozen wordt het menuvenster verwijderd. In de statusregel
wordt achter het huidige indexnummer de tekst "Alle velden" geplaatst. Op de
info-regel verschijnt de tekst:

	  "Type zoekstring:                     + <return>"

De cursor staat achter de dubbele punt en er kan nu een zoekstring ingetypt
worden met een lengte van maximaal 20 karakters. Voor verbetering van type-
foutjes dient de BS-toets te worden gebruikt. Als er 20 karakters zijn getypt
wordt alleen nog maar gereageert op de BS-toets of de returntoets.

Zodra de returntoets is gedrukt wordt de tekst op de info-regel vervangen door
"Zoekstring: ............". Op de plaats van de puntjes staat de getypte zoek-
string. Het zoeken wordt gestart.

Indien de zoekstring niet aanwezig blijkt, wordt de tekst op de info-regel
vervangen door:   "NIET GEVONDEN     ** Druk een toets **"        Deze tekst
wordt gewist als een toets wordt gedrukt.

Als de zoekstring is gevonden, wordt de kaartinhoud op het scherm gezet met
de cursor achter de gevonden zoekstring. Op de rechterzijde van de info-regel
verschijnt de tekst:   "Verder zoeken ?   J/N".         Door toets "J" of "Y"
te drukken wordt verder gezocht naar de zoekstring in dezelfde kaart en als de
zoekstring niet nogmaals voorkomt in de resterende kaarten.

Indien een andere toets wordt gedrukt (staat voor "Nee") wordt de info-regel
gewist en de gevonden kaart blijft op het scherm staan.



FUNKTIE F7 - OPTIE 4   (Voorkeurveld instellen/sorteren)


Als optie 4 is gekozen wordt nevenstaand    Ŀ
venster geopend met de cursor achter het    	  PRESET VOOR VOORKEURVELD    
woord "regelnummer". Achter het woord       Ĵ
"regel" staat het regelnummer van het hui-    Ingesteld op veld van regel 1  
dige voorkeurveld. De tekst in het venster    Akkoord ?	Druk 'RET'    
is duidelijk. Het regelnummer van het nieuwe  Wijzigen:  type regelnummer    
voorkeurveld moet worden ingetypt en ver-     en druk daarna	'SELECT'      
schijnt op de plaats van de cursor (BS-toets
voor verbeteringen). Met de SELECT-toets moet het getypte regelnummer worden
bevestigd.

Als de RET-toets wordt gedrukt wordt er niets veranderd, een evt. al getypt
regelnr. wordt genegeerd en het venster wordt verwijderd. Dit is bedoeld om
even te kunnen kijken welk regelnummer als voorkeurveld is ingesteld.

Zodra de SELECT-toets is gedrukt wordt gekontroleerd of het getypte regelnummer
hetzelfde is als voor het huidige voorkeurveld. Zo ja, dan wordt er niets
veranderd en het venster wordt verwijderd. Zo neen, dan wordt gekontroleerd of
er een veld is op het getypte regelnummer. Zo niet, dan volgt een foutmelding
op de info-regel en moet het regelnummer eerst verbeterd worden, voordat U
verder kunt gaan.

Als het regelnummer in orde is worden de 1e 3 karakters van het opgegeven veld
van alle kaarten in de index geplaatst. De laatste 3 regels in het venster
worden vervangen door de tekst: "Geheugen aanpassing, momentje..."  Die aanpas-
sing is zeer snel gereed. Daarna verschijnt op de info-regel de tekst:

      "De index wordt alfabetisch gesorteerd, even geduld a.u.b."

Zodra het sorteren gereed is wordt het venster en de mededeling verwijderd.

Het opnieuw sorteren van de aangepaste index is DE ENIGE FUNKTIE VAN FLEXBASE
WELKE NIET SNEL KAN ZIJN. Bij een groot bestand (meer dan 2048 kaarten) moet
U echt lang wachten. Indien het voorkeurveld begint met een cijferreeks dan
is de wachttijd bij grote bestanden nog langer. Denk nooit, dat het programma
is vastgelopen als bovenstaande mededeling 1 minuut of langer op het scherm
blijft staan, maar heb even geduld tot het gecompliceerde sorteerkarwei voor
een groot bestand gereed is. De sorteertijd neemt toe met de bestandsgrootte.


FUNKTIE F7 - OPTIE 5  (Meerdere strings zoeken)


Optie 5 is een meervoudige zoekaktie voor het zoeken naar maximaal 3 zoek-
strings. Er wordt allereerst gezocht naar het voor komen van de 1e zoekstring
in een kaart. Als die kaart is gevonden, wordt binnen de kaartinhoud gekeken of
de 2e en eventueel de 3e zoekstring in die kaart voor komen. Als dit inderdaad
het geval is wordt de desbetreffende kaart op het scherm gezet met de cursor
achter de laatste gevonden zoekstring. Indien niet alle opgegeven zoekstrings
zijn gevonden IN DEZELFDE KAART wordt verder gezocht in het bestand.

Zodra optie 5 is gekozen wordt menu 1 verwijderd en het venster met menu 2
gepend als afgebeeld op de volgende pagina. Menu 2 is nu nog geen echt menu.
Het moet door U worden geprogrammeerd voor de gewenste zoekakties. Als het
venster is geopend staat "1e Zoekaktie" in een oplichtende balk ten teken dat
de 1e zoekaktie kan worden geprogrammeerd.

Onderin het venster staan de beknopte bedieningsaanwijzingen. Net als in menu
1 kan omgeschakeld worden tussen J/N onderscheid hoofd/kleineletters, doch nu
met de TAB-toets.

De ESC-toets is alleen aktief indien de cursor NIET ergens in het menu staat.
Hiermee kan het programmeerproces worden afgebroken c.q. worden geannuleerd.
	 Ŀ
	 	 MENU 2  Meervoudig zoeken (in 1 kaart)       
	 Ĵ
	   1e Zoekaktie: In begin voorkeurveld 	      
	 						      
	   2e Zoekaktie:				      
	 						      
	   3e Zoekaktie:				      
	 						      
	 Ĵ
	   [TAB]  Onderscheid hoofd/kleine letters    J/N    
	   [Spatiebalk]       Opties rouleren		      
	   [SEL]  Optie kiezen     [RET]  Zoekaktie starten  
	   [Cursor omlaag]    Zoekaktie kiezen (korrekties)  
	   [ESC]	       Menu & instellingen annuleren  
	 

PROGRAMMEREN MEERVOUDIGE ZOEKAKTIES.

Voor elk van de 3 zoekakties kan gekozen worden uit 3 soorten zoekakties. Dit
zijn de 3 zoekakties als behandeld op pagina 18 en 19 (opties 1 t/m 3).
De 3 mogelijke opties zijn: 1:	 In begin voorkeurveld		    (optie 1)
			    2:	 In begin veld op regelnummer ..    (optie 2)
			    3:	 In alle velden 		    (optie 3)
Tekst 1 is voorgeprogrammeerd voor optie 1 bij de 1e zoekaktie (zie venster).
Door herhaald drukken op de spatiebalk wordt tekst 1 vervangen door tekst 2,
tekst 3 en dan weer tekst 1 enz. Met de spatiebalk wordt dus de gewenste
zoekaktie geselecteerd. Als de gewenste soort zoekaktie in het venster staat
wordt de optie definitief geprogrammeerd door drukken van de SELECT-toets.

Als we aannemen dat "In begin voorkeurveld" werd geprogrammeerd, dan verandert
het desbetreffende deel van het venster alsvolgt:

	   1e Zoekaktie: In begin voorkeurveld 	      
	 		  1e Zoekstring ....................  
	   2e Zoekaktie:				      

De oplichtende balk is nu verplaatst naar het met een stippellijn aangegeven
gedeelte van het venster en de cursor is geplaatst in het begin van deze balk.
De zoekstring, waarnaar gezocht moet worden moet nu worden ingetypt. Er worden
maximaal 20 karakters als zoekstring geaccepteerd. Voor verbeteringen dient de
BS-toets te worden gebruikt. De ingegeven zoekstring wordt definitief gepro-
grammeerd door de RET-toets te drukken. Hiermede is de 1e zoekaktie geprogram-
meerd en de oplichtende balk wordt verplaatst naar "2e Zoekaktie".

Omdat meervoudige zoekakties op 1 kaart uitgevoerd worden, kan zoeken in het
voorkeurveld maar 1 maal uitgevoerd worden. Het programma "weet" dat en daarom
verschijnt achter "2e Zoekaktie" de tekst voor optie 2 en met de spatiebalk
kunnen alleen nog maar de opties 2 of 3 geselecteerd worden.

Als we aannemen dat met de SELECT-toets optie 2 is geprogrammeerd, dat ziet
het vensterdeel eruit als hieronder.

	   1e Zoekaktie: In begin voorkeurveld 	      
	 		  1e Zoekstring ....................  
	   2e Zoekaktie: In begin veld op regelnummer ..     

Na drukken van de SELECT-toets is de oplichtende balk verplaatst van "2e Zoek-
aktie" naar "In begin veld op regelnummer". Bovendien is er een oplichtend
vakje waar de 2 puntjes staan en de cursor staat in het begin van dat vakje.
Hierin verschijnt het regelnummer dat U moet intypen. Het ingetypte regelnummer
wordt geprogrammeerd als de RET-toets wordt gedrukt. Op dat moment wordt gekon-
troleerd of er een veld is in de opgegeven regel. Zo niet, dat verschijnt een
foutmelding op de info-regel en moet het regelnummer eerst verbeterd worden
(BS-toets) voordat men verder kan gaan. Als het regelnummer in orde is veran-
dert het venster alsvolgt:


	   1e Zoekaktie: In begin voorkeurveld 	      
	 		  1e Zoekstring ....................  
	   2e Zoekaktie: In begin veld op regelnummer ..     
	 		  2e Zoekstring ....................  
	   3e Zoekaktie:				      

De oplichtende balk is nu verhuisd naar de stippellijn achter "2e Zoekstring"
De cursor is verplaatst naar het begin van de balk, waar nu de 2e zoekstring
moet worden ingetypt, net als bij de 1e zoekaktie. Als de 2e zoekstring defi-
nitief wordt geprogrammeerd door de RET-toets te drukken wordt de oplichtende
balk verplaatst naar "3e Zoekaktie".

Het programmeren van een 3e zoekaktie verloopt hetzelfde als bij de 2e zoek-
aktie. Als daarbij voor optie 3 wordt gekozen dan hoeft er geen regelnummer
ingegeven te worden, doch alleen de 3e zoekstring. Als de programmering van
een 3e zoekaktie gereed is wordt de oplichtende balk verplaatst naar "1e Zoek-
aktie".

Als het woord "Zoekaktie" in een oplichtende balk staat kunt U met de toetsen
cursor/up/down naar een reeds geprogrammeerde zoekaktie gaan om de programme-
ring daarvan te wijzigen. Als echter optie 1 (voorkeurveld) wordt geselecteerd
en die optie WAS AL GEPROGRAMMEERD in een lager gelegen zoekaktie, dan veran-
dert het programma daar optie 1 in optie 2 en moet ook die optie opnieuw worden
geprogrammeerd. Er kan immers maar 1 maal optie 1 worden gebruikt !! U kunt ook
de ESC-toets drukken en daarna F7 en toets 5 en dan opnieuw programmeren. Dat
is wellicht makkelijker dan de bestaande programmering veranderen.

Bij elk van de 3 zoekakties kan vrij gekozen worden welke optie men wil ge-
bruiken. De enige beperking is, dat maar 1 maal in begin voorkeurveld (optie 1)
kan worden gezocht. Als echter optie 1 wordt gebruikt, wordt aangevolen om
optie 1 in de 1e zoekaktie te programmeren. De zoeksnelheid is dan bijna even
snel als bij optie 1 uit menu 1. (Zie pag 18) Vooral bij grote bestanden is dit
van belang. Het zoeken verloopt dan veel sneller dan wanneer optie 1 in de 2e
of 3e zoekaktie wordt geprogrammeerd.

Om de zoekaktie te starten moet de RET-toets worden gedrukt, terwijl het
woord "Zoekaktie" in een oplichtende balk staat. Dat is het geval na het
voltooien van elk van de 3 zoekakties. Dit betekent, dat bij het beindigen van
de programmering van een zoekaktie met de RET-toets, het zoeken start als nog-
maals de RET-toets wordt gedrukt. Als er nog meer geprogrammeerd moet worden
moet U dus oppassen, dat de RET-toets niet per ongeluk 2 maal gedrukt wordt,
anders start het zoeken voortijdig. Er gaat dan niets fout, maar er gebeurd wel
iets dat nog niet gewenst werd en men moet opnieuw beginnen met programmeren.

Het is niet nodig om alle 3 de zoekakties te programmeren. Na het programmeren
van slechts 1 zoekaktie kan het zoeken al gestart worden. Voor slechts 1 zoek-
aktie is het gebruik van de opties 1, 2 of 3 uit menu 1 (zie pag. 18 en 19)
echter veel handiger.

Als een kaart is gevonden, waarin alle geprogrammeerde zoekstrings voor komen,
wordt die kaart op het scherm gezet. Op de info-regel verschijnt de vraag
"Verder zoeken ?  J/N". Als toets "J" of "Y" wordt gedrukt wordt verder gezocht
in de resterende kaarten van het bestand. Als een andere toets wordt gedrukt
(staat voor "Nee") dan wordt de tekst op de info-regel gewist en blijft de
gevonden kaart op het scherm staan. Elke gevonden kaart kan nmaling of auto-
matisch worden uitgeprint. Voor details zie hoofdstuk printerfunkties.

Als de zoekakties niet succesvol zijn verschijnt op de info-regel de medede-
ling "NIET GEVONDEN   Druk een toets". Zodra een toets is gedrukt wordt deze
mededeling gewist.




FUNKTIE F7 - OPTIE 7   (Zoeken naar numerieke waarde)

Deze optie doorzoekt het bestand naar een op te geven numerieke waarde in een
op te geven numeriek veld. Er kan naar keuze worden gezocht naar:

     Of: Een waarde die KLEINER is dan de opgegeven waarde
     Of: Een waarde die GELIJK OF GROTER is dan de opgegeven waarde.

Als optie 7 wordt gekozen wordt menu 1 verwijderd en wordt onderstaand venster
geopend.

	 Ŀ
	    ZOEKEN NAAR KAART(EN) MET GROTERE/KLEINERE WAARDE	 
	 Ĵ
	     Regelnummer van te testen numerieke data: ..	 
	     Te vergelijken waarde: .....................	 
	     Zoeken naar kaart(en) met grotere/kleinere waarde  
	 Ĵ
	   Type regelnummer en waarde (+ RET), kies groter of	 
	   kleiner met spatiebalk en druk RETURN voor starten	 
	   zoekaktie.	   (ESC = Menu & instellingen annuleren) 
	 

Op de plaats waar nu de 2 puntjes staan is een oplichtend vakje, waarin de
cursor staat. Allereerst moet U het regelnummer van een numeriek veld typen,
waarvan de waarde getest zal gaan worden. Dit nummer verschijnt in het vakje.
BS-toets gebruiken voor verbeteringen.

Zodra de RET-toets wordt gedrukt wordt gekontroleerd of er een numeriek veld is
op het ingegeven regelnummer. Zo niet, dan verschijnt er een foutmelding op de
info-regel. Het regelnummer moet dan eerst verbeterd worden voordat u verder
kunt gaan. Als het regelnummer inderdaad een numeriek veld is, wordt de cursor
verplaatst naar achter het woord "waarde". Waar nu de rij puntjes staat komt
een oplichtende balk. Vervolgens moet de te vergelijken numerieke waarde worden
ingetypt. De syntax (schrijfwijze) dient te voldoen aan de syntax voor getals-
waarden zoals bij MSX-basic. Er kan een gewoon getal met of zonder decimale
punt worden getypt, doch ook de notatie voor een getal met enkele/dubbele
precisie is toegestaan evenals de notatie &H.... of &B........

Met de RET-toets wordt de ingave bevestigd. Zodra de RET-toets is gedrukt wordt
de schrijfwijze van de ingetypte waarde gekontroleerd. Als die niet korrekt is
verschijnt een foutmelding op de info-regel en moet de ingegeven waarde eerst
verbeterd worden voordat U verder kunt gaan. Als de schrijfwijze in orde is
wordt de oplichtende balk verplaatst naar het woord "grotere" op de volgende
regel.

Met de spatiebalk kan de oplichtende balk verplaatst worden naar het woord
"kleinere" en andersom. Het woord "grotere" betekent in werkelijkheid "gelijke
of grotere waarde". Hiermede kiest U de manier van vergelijken. Als b.v.
"kleinere" werd gekozen, dan wordt in het bestand gezocht naar een kaart,
waarin de numerieke waarde in het opgegeven veld kleiner is dan de ingetypte
waarde. Bij de keuze "grotere" wordt daarentegen gezocht naar een waarde,
welke gelijk of groter is dan de ingetypte waarde.

De zoekaktie wordt gestart als de RET-toets gedrukt wordt terwijl de oplich-
tende balk op het woord "grotere" of "kleinere" staat. Als er een kaart wordt
gevonden welke aan het criterium voldoet, wordt die kaart op het scherm gezet.
Op de info-regel verschijnt de vraag "Verder zoeken ?  J/N". Als de toets "J"
of "Y" wordt gedrukt wordt verder gezocht in het bestand. Als een andere toets
wordt gedrukt wordt de tekst op de info-regel gewist en blijft de gevonden
kaart op het scherm staan.

Elke gevonden kaart kan nmalig of automatisch worden uitgeprint. Voor details
zie hoofdstuk printerfunkties.


Als de zoekaktie niet succesvol is, verschijnt op de info-regel de mededeling
"NIET GEVONDEN   Druk een toets". Door drukken van een toets wordt de medede-
ling gewist.


		       REKENFUNKTIES - Funktietoets F8
		       

Rekenfunkties worden uitgevoerd met de getalswaarden, welke in NUMERIEKE
VELDEN staan van de kaarten in het bestand. Indien er bij het ontwerpen van de
kaart echter geen numerieke velden zijn gedefinierd, kunnen er ook geen
getalswaarden in een kaart staan waarmee gerekend kan worden. Drukken van de
funktietoets F8 geeft in dat geval op de info-regel de melding:

       Er zijn GEEN numerieke velden gedefinierd !   Druk een toets.

Dit betekent, dat de toegang tot de rekenfunkties geblokkeerd is. Door drukken
van een toets wordt de foutmelding gewist. Er volgt ook een foutmelding als er
nog geen bestand aanwezig is. Ook nu is de toegang tot de rekenfunkties
geblokkeerd en wordt de foutmelding gewist door drukken van een toets.

Als er een bestand is en tevens numerieke velden zijn gedefinierd dan opent
drukken van funktietoets F8 de toegang tot de rekenfunkties. De rekenfunkties
kunnen naar keuze op alle kaarten worden uitgevoerd of alleen op de kaarten,
welke met (reeds besproken-) zoekakties zijn geselecteerd. Laatstgenoemde moge-
lijkheid, tezamen met de op diverse wijzen programmeerbare rekenfunkties, ver-
schaft de gebruiker van  F L E X B A S E  een fiks aantal mogelijkheden.
De rekenfunkties zijn bedoeld voor gebruik van FLEXBASE voor administratieve
doeleinden. De mogelijkheden die deze funktie biedt zijn ontstaan door het
peilen van de wensen van personen, die genteresseerd waren in een programma
als FLEXBASE.

Er is gekozen voor programmeerbaar maken van een aantal mogelijkheden, zodat
zoveel mogelijk aan alle wensen zou kunnen worden voldaan. Daarbij is vooral
aandacht besteed aan een zo eenvoudig mogelijke structuur van de programmering.

REKENMOGELIJKHEDEN

1. Er kan gekozen worden welke van de aanwezige numerieke velden van de kaart
   voor de rekenfunkties gebruikt zullen worden.

2. Er kan gekozen worden uit: of het gebruik van de data uit ALLE KAARTEN in
   het bestand, of alleen gebruiken van de data van MET ZOEKFUNKTIES GESELEC-
   TEERDE KAARTEN. In het laatste geval wordt na het programmeren van de
   rekenfunkties automatisch doorgeschakeld naar de reeds eerder besproken
   keuze en/of programmering van n of meerdere zoekakties.

3. Met de data BINNEN EEN KAART kunnen 1, 2 of 3 berekeningen worden uitge-
   voerd. Er kan bovendien 1 in te typen getalswaarde worden gebruikt. Voor
   elke berekening kan gekozen worden tussen optellen, aftrekken, vermenigvul-
   digen of delen. Het resultaat van die berekeningen is de data voor punt 4.

4. De resultaten van punt 3 worden automatisch opgeteld tot resp. 1, 2 of 3
   totalen voor alle kaarten (of voor de geselecteerde kaarten, zie punt 2)
   Er kunnen maximaal 4 totalen berekend worden. Als b.v. bij punt 3 een
   tweetal berekeningen werd gekozen, dan kunnen nog 2 totalen worden berekend
   van de data in 2 op te geven velden van de kaart, dus tezamen 4.

5. De totalen van alle (of de geselecteerde-)kaarten kunnen weer worden ge-
   bruikt als data voor maximaal 3 berekeningen. Hierbij kan voor elke bereke-
   ning gekozen worden uit optellen, aftrekken, vermenigvuldigen of delen.

Het ruime aantal mogelijkheden en kombinaties daarvan zou kunnen leiden tot
een gekompliceerde klus om dit alles te programmeren. Dit probleem is opgelost
door een stap voor stap programmeerwijze. Door middel van een vraag en ant-
woordspel tussen programma en gebruik(er)(ster) worden de diverse mogelijkheden
aangeboden, die hij/zij dan naar wens kan gebruiken of overslaan. Daardoor
wordt een vrij gekompliceerd geheel teruggebracht tot een eenvoudige en vooral
probleemloze programmering.


PROGRAMMERING REKENFUNKTIES

Zodra funktietoets F8 is gedrukt wordt onderstaand venster geopend. Dit ven-
ster wordt tijdens het programmeren steeds aangepast aan de gemaakte keuzes.
De bedieningsaanwijzingen staan steeds in het onderste deel van het venster.
Met de ESC-toets kan de programmering in elke fase worden afgebroken om b.v.
opnieuw te beginnen als men niet tevreden is met het bereikte resultaat.

  Ŀ
      PROGRAMMERING REKEN-FUNKTIES EVT. IN KOMBINATIE MET ZOEKFUNKTIES    
  Ĵ
*  Numerieke velden op regel(s):  6(= A)  7(= B) 14(= C) 15(= D) 16(= E)  
  Ĵ
   Kiezen van te gebruiken veld(en) voor rekenfunktie(s)		   
  									   
   Plaats cursor op gewenste regelnummer(s)				   
   SELECT:  keuze vastleggen						   
   DELETE:  keuze annuleren						   
   RETURN:  keuze regelnummer(s) afsluiten				   
  			 ESC: programmering afbreken			   
  

De regel welke is gemerkt met "*" is een voorbeeld, hoe die eruit zou kunnen
zien. Het programma "weet" op welke regels een numeriek veld is geplaatst bij
het ontwerpen van de kaart en vult die regelnummers in, in de volgorde van de
regelnummers. Tegelijk wordt aan elk numeriek veld (regelnummer) een letter
toegewezen en tussen haakjes erachter gezet. Bij het programmeren moet die
letter gebruikt worden (in plaats het bijbehorende regelnummer). Dit vereenvou-
digt het programmeren. Deze regel blijft gedurende het programmeren konstant
in beeld, zodat het kiezen van de juiste letter voor een te kiezen nummeriek
veld geen probleem zal zijn, doch eenvoudiger is dan typen van regelnummers.
Een ingetypte kleine letter, zal worden vervangen door een hoofdletter.

In het voorbeeld staat de situatie afgebeeld als het maximum van 5 numerieke
velden is gedefinierd. Als er b.v maar 2 numerieke velden zijn, zullen alleen
"A" en "B" op de regel staan. Alles achter "B" in bovenstaand voorbeeld is dan
afwezig. De regelnummers in het voorbeeld zijn willekeurig gekozen.


VELDEN KIEZEN

Allereerst moet U nu kiezen welke van de aanwezige velden U voor rekenwerk
wenst te gebruiken. De cursor staat op het eerste veld, op "6". Met de cursor-
links/rechts-toetsen kunt U de cursor verplaatsen naar het gewenste veld. Door
drukken van de SELECT-toets wordt het veld waarop de cursor staat gekozen. Het
regelnummer & de bijbehorende letter lichten op, ten teken dat dit veld gekozen
is. Op dezelfde wijze kunt U de andere gewenste velden kiezen. Dat kunt U in
willekeurige volgorde doen. U kunt een gemaakte keuze annuleren door de DEL-
toets te drukken i.p.v. de SELECT-toets.

Als U alle gewenste velden heeft gekozen, wordt deze programmeerfase afgesloten
door de RET-toets te drukken. Daardoor verandert het venster als weergegeven
op de volgende pagina.

De tekst in het venster behoeft geen nadere verklaring. Door of cijfertoets 1
of cijfertoets 2 te drukken kiest U de gemenste optie. Als "1" wordt gekozen
zal aan het einde van de programmering worden doorgeschakeld naar de zoek-
funkties als besproken op pag. 18 t/m 23.



  Ŀ
      PROGRAMMERING REKEN-FUNKTIES EVT. IN KOMBINATIE MET ZOEKFUNKTIES    
  Ĵ
   Numerieke velden op regel(s):  6(= A)  7(= B) 14(= C) 15(= D) 16(= E)  
  Ĵ
   Rekenfunktie uit te voeren op:					   
  									   
  	 [ 1 ]	Geselecteerde kaarten (via zoekfunkties)		   
  	 [ 2 ]	Alle kaarten in het bestand (geen zoekfunktie)		   
  									   
  	 Maak Uw keuze (1 of 2) 					   
  			 ESC: programmering afbreken			   
  

Als U optie "1" had gekozen verandert het venster als hieronder afgebeeld. Als
optie 2 werd gekozen staat op de met "*" gemerkte regel "Alle kaarten " i.p.v.
"Geselecteerde kaarten".

  Ŀ
      PROGRAMMERING REKEN-FUNKTIES EVT. IN KOMBINATIE MET ZOEKFUNKTIES    
  Ĵ
   Numerieke velden op regel(s):  6(= A)  7(= B) 14(= C) 16(= D) 16(= E)  
*  Rekenfunkties uit te voeren op:  Geselecteerde kaarten		   
# Ĵ
  	      Rekenfunktie(s) binnen de kaarten gewenst  J/N  ? 	   
  									   
  
			      Voorbeeld 1

De kop van het venster t/m de met "#" gemerkte regel zal niet meer veranderen.
bij volgende voorbeelden zal die kop niet meer worden afgebeeld.

Er zijn nu 2 mogelijkheden JA of Nee. Bij NEE wordt de programmering van reken-
funkties binnen de kaart gewoon overgeslagen. Allereerst zal deze mogelijkheid
worden besproken. De voortgang bij JA volgt daarna.

PROGRAMMEREN TOTALISEREN VAN KAARTDATA

Indien een andere toets werd gedrukt dan "J" of "Y" dan betekent dit NEE en
het venster wordt alsvolgt gewijzigd:

6 Ĵ
7  REKENFACTOREN/KAARTDATA: W = in te typen waarde			   
8 									   
9 	   W	A    B	  C    D    E					   
10									   
11									   
12 TOTALEN VAN KAARTEN:    som . = I					   
13									   
14    Nog een totaliseerfunktie  J/N					   
15    Kies rekenfactor voor totaliseren.  Korrecties: DEL-toets.	   
16    Bevestigen met RETURN.						   
17			 ESC: programmering afbreken			   
18
			      Voorbeeld 2

De tekst op lijn 14 moet U even weg denken, die is er nog niet. Lijn 7 moet U
negeren. Die speelt alleen een rol bij rekenfunkties en niet bij totaliseren.
Hetzelfde geldt voor de letter "W" in lijn 9. De letters na "W" zijn de velden
die U eerder voor rekenwerk had gekozen. Dat zijn de oplichtende velden in de
kop. (Zie pag 25) Lijn 11 wordt gebruikt als voor rekenfunkties binnen de kaart
werd gekozen (zie verderop) en lijn 13 voor rekenfunkties met totalen, die
eveneens verderop worden besproken.



In voorbeeld 2 is aangenomen dat er 5 velden waren, die allemaal waren gekozen.
Indien er b.v. maar 3 velden waren gekozen, staan er achter 'W' ook maar 3
letters. De aanwezige letters (behalve 'W') zijn de rekenfactoren, welke
gebruikt kunnen worden voor totaliseren.


PROGRAMMEREN TOTALISEERFUNKTIES

De cursor staat in lijn 12 achter "som" op de plaatst van de punt. Door een
letter te typen die in de rij letters op lijn 9 staat, kiest U voor berekenen
van het totaal van de waarden, die in het bijbehorende veld staan, van de ge-
selecteerde kaarten. Zie voorbeeld 1, daar was voor geselecteerde kaarten
gekozen. (Dat had ook 'alle kaarten' kunnen zijn.)

De getypte letter komt op de plaats van de cursor. Als U een andere letter zou
typen, dan n uit de rij letters op lijn 9, wordt daarop niet gereageerd. Ook
niet op de letter "W". De getypte letter kunt U nog veranderen door de DEL-
toets te drukken en daarna een andere letter te typen. Uw keuze wordt defini-
tief door de RET-toets te drukken. Daardoor verschijnt de tekst welke nu al op
lijn 14 staat.

Als U de vraag op lijn 14 beantwoordt verdwijnt de tekst op die lijn. Als Uw
antwoordt JA is wordt lijn 12 uitgebreid met de tekst "som . = J" en kunt U net
als hierboven weer een letter ingeven voor berekenen van som J. Na RETURN
verschijnt weer de vraag op lijn 14 enz.  Op die manier kunt U maximaal 4
totaliseerfunkties programmeren. (Som I, J, K en L)

Als U de vierde totaliseerfunktie geprogrammeerd heeft of al eerder NEE had
geantwoord op de vraag op lijn 14, is het programmeren van de totaliseerfunk-
ties gereed. Op dat ogenblik worden de letters achter "W" op lijn 9 vervangen
door de letters voor het resultaat (de som). Bij 1 geprogrammeerde funktie dus
alleen de letter 'I', bij 2 funkties de letters I en J, bij 3 funkties de
letters I, J en K en bij 4 funkties de letters I, J, K, en L. Deze letters
staan voor de waarde van de totalen, die weer gebruikt kunnen worden voor
rekenfunkties met de totalen.

PROGRAMMEREN REKENFUNKTIES BINNEN DE KAART

Indien bij voorbeeld 1 (zie pag. 26) de vraag met 'JA' werd beantwoordt wordt
het venster verandert voor programmeren van maximaal 3 rekenfunkties binnen de
kaart. De tekst op lijn 13 moet U even weg denken. Die is er nog niet. De
cursor staat in lijn 11 op het eerste puntje.


6 Ĵ
7  REKENFACTOREN/KAARTDATA: W = in te typen waarde			   
8 									   
9 	   W	A    B	  C    D    E					   
10									   
11 KAART-REKENFUNKTIE(S):  . . . = F					   
12									   
13    Nog een kaart-rekenfunktie  J/N					   
14									   
15    Type achtereenvolgend: 1e rekenfactor, rekenteken (+, -, * of /)    
16    en 2e rekenfactor.  Korrecties: BS-toets.  Afsluiten met RETURN.    
17			 ESC: programmering afbreken			   
18
			      Voorbeeld 3


De programmering verloopt ongeveer hetzelfde als bij de totaliseringsfunkties.
Bij totaliseren wordt de data uit een kaart steeds opgeteld tot een totaal. de
rekenwijze is dus altijd OPTELLEN en hoeft daarom niet te worden opgegeven.
Bij andere rekenfunkties moet gekozen worden uit optellen, aftrekken, vermenig-
vuldigen of delen en er moet niet 1 maar 2 rekenfactoren opgegeven worden..

De rekenfactoren staan op lijn 9. Nu kan de letter "W" ook worden gebruikt.
Zodra U toets "W" drukt bij het programmeren (zie verderop), wordt de cursor
verplaatst naar lijn 7, achter het woord "waarde". U kunt dan de gewenste ge-
talswaarde intypen op de plaats van de cursor. De syntax (schrijfwijze) moet
beantwoorden aan de regels welke bij MSX-basic gelden. (Zie pag.16) Een inge-
typte getalswaarde dient bevestigd te worden met de RET-toets. Indien de
schrijfwijze afwijkt van de regels voor MSX-basic, verschijnt op de info-regel
een foutmelding. De schrijfwijze moet dan eerst worden verbeterd voordat U
verder kunt gaan. Als de schrijfwijze in orde blijkt, wordt de cursor weer
teruggezet op lijn 11.

Het programmeren is vrij eenvoudig. De aanwijzingen onder in het venster ver-
tellen hoe het moet. U dient een rekenfactor kiezen uit de letters op lijn 9,
daarna het rekenteken en tenslotte de 2e rekenfactor. Als U b.v de waarden in
de velden A en C bij elkaar op wilt tellen, typt U:  A + C  (of C + A). U kunt
vrij kiezen waarmee en hoe gerekend moet worden, b.v  E / A   of   D * E   of
C - A	enz. enz.  Bij het intypen wordt als 1e en 3e toetsdruk alleen een
letter uit de rij op lijn 9 geaccepteerd. Bij de 2e toetsdruk alleen een van
de 4 toegestane rekentekens als vermeld op lijn 15.

Met de BS-toets kunt U verbeteringen aanbrengen. Als U ZEKER WEET dat de
ingegeven rekenformule in orde is moet de RET-toets gedrukt worden. Daarmee is
de rekenfunktie definitief geprogrammeerd en kan niet meer veranderd worden.
Als U nu ontdekt, dat U toch een fout heeft gemaakt, is de enige mogelijkheid
ESC-toets drukken en opnieuw beginnen met programmeren. Even oppassen dus.

Zodra de RET-toets is gedrukt verschijnt de tekst welke in voorbeeld 3 al op
lijn 13 staat. Als U de vraag met JA beantwoordt, wordt de tekst op lijn 13
weer gewist en wordt lijn 11 uitgebreid met:   . . . = G     Bovendien wordt de
rij letters op lijn 9 uitgebreidt met de letter 'F', welke staat voor het
resultaat van de zojuist geprogrammeerde rekenfunktie. Omdat de letter 'F' nu
in de rij letters staat, MAG U DIT RESULTAAT OOK ALS REKENFACTOR GEBRUIKEN bij
het programmeren van een 2e of 3e rekenfunktie.

U kunt nu een 2e rekenfunktie programmeren als hierboven beschreven. Als U
daarna JA antwoordt wordt lijn 11 verder uitgebreid met:   . . . = H	en
wordt de letter 'G' (het resultaat) toegevoegd aan de rij letters op lijn 9.
Die letter 'G' mag U ook gebruiken als U een 3e rekenfunktie binnen de kaart
programmeert. Als het programmeren van de 3e rekenfunktie wordt afgesloten met
de RET-toets wordt ook de letter 'H' (het resultaat) toegevoegd aan de rij
letters.

Het programmeren van de rekenfunkties binnen de kaart is nu gereed. Dat is
ook het geval als U na 1 of 2 rekenfunkties programmeren de vraag op lijn 13
met NEE had beantwoord. Het enige verschil is dat er dan minder op lijn 11
staat en er minder letters zijn toegevoegd aan de rij op lijn 9.

Rekenfunkties binnen de kaart hebben pas zin als er met de resultaten iets
gedaan wordt. De resultaten (F, G, H) worden automatisch opgeteld tot een
totaal voor f alle kaarten f de geselecteerde kaarten. (Optie 1 of 2, zie
pag. 25/26)  Dit totaliseren is dus een automatisch geprogrammeerde totalise-
ringsfunktie, welke tegelijk in het venster wordt geplaatst.

Aangenomen dat er 2 rekenfunkties werden geprogrammeerd dan zou het verster er
uit kunnen zien als het voorbeeld op de volgende pagina. De rekenfunktie die
daarin staan vermeld op lijn 11 zijn verzonnen en dienen als voorbeeld.

Als U voorbeeld 4 vergelijkt met voorbeeld 2 (pag. 26) kunt U zien dat het
beindigen van de programmering van kaart-rekenfunkties tevens het begin is
van de programmering van totaliseerfunkties. Op pag. 26 werd die reeds bespro-
ken, doch daar was de programmering van rekenfunkties overgeslagen. Dit is nu
niet het geval. Daardoor is lijn 11 nu niet meer blanco en ook zijn er al 2
(van maximaal 4) totaliseringsfunkties automatisch geprogrammeerd.



6 Ĵ
7  REKENFACTOREN/KAARTDATA: W = in te typen waarde  0.175		   
8 									   
9 	   W	A    B	  C    D    E	 F    G 			   
10									   
11 KAART-REKENFUNKTIE(S):  A + B = F	E * W = G			   
12 TOTALEN VAN KAARTEN:    som F = I	som G = J			   
13									   
14    Nog een totaliseerfunktie  J/N					   
15    Kies rekenfactor voor totaliseren.  Korrecties: DEL-toets.	   
16    Bevestigen met RETURN.						   
17			 ESC: programmering afbreken			   
18
			      Voorbeeld 4




Als de vraag op lijn 14 met JA wordt beantwoord kunnen nog 1 of 2 totalise-
ringsfunkties worden geprogrammeerd zoals beschreven op pag 26. De letter "W"
kan niet gebruikt worden (zie pag. 26). Omdat het programma de letters 'F' en
'G' al heeft gebruikt voor totaliseren, kunnen die ook niet meer gebruikt wor-
den. De overige letters in de rij op lijn 9 kunnen gekozen worden voor het
programmeren van totaliseringsfunkties.

Als de vraag op lijn 14 met NEE wordt beantwoord, wordt doorgeschakeld naar
totaal-rekenfunkties. Hetzelfde gebeurt als het maximum aantal totaliserings-
funkties daadwerkelijk wordt geprogrammeerd. Als aangenomen wordt, dat het
laatstgenoemde is gedaan dan verandert het venster als hieronder.


6 Ĵ
7  REKENFACTOREN/KAARTDATA: W = in te typen waarde  0.175		   
8 									   
9 	   W	I    J	  K    L					   
10									   
11 KAART-REKENFUNKTIE(S):  A + B = F	E * W = G			   
12 TOTALEN VAN KAARTEN:    som F = I	som G = J   som C = K	som D = L  
13									   
14									   
15    Totaal-rekenfunkties gewenst  J/N				   
16									   
17			 ESC: programmering afbreken			   
18
			      Voorbeeld 5


De resultaten van de rekenfunkties, vermeld op de lijn 11, zijn gebruikt in de
eerste 2 totaliseringsfunkties op lijn 12. De overige totaliseringsfunkties
zijn verzonnen om het voorbeeld te kompleteren. De resultaten van de totalise-
ringsfunkties (I, J, K en L) staan nu op lijn 9 en die kunnen eventueel
gebruikt worden voor totaal-rekenfunkties.

Als U de vraag op lijn 15 met NEE beantwoordt is de programmering voltooid
en worden de geprogrammeerde rekenfunkties uitgevoerd. Na het wissen van de
tekst op lijn 15 worden de resultaten I, J, K en L op het scherm gezet. Die
blijven daar staan totdat de ESC-toets wordt gedrukt om het verster te
verwijderen.


PROGRAMMERING TOTAAL-REKENFUNKTIES

Indien de vraag op lijn 15 met JA wordt beantwoord verandert het venster voor
programmering van totaal-rekenfunkties. Dat zou er uit kunnen zien als voor-
beeld 6 op de volgende pagina. De tekst op lijn 14 moet U even weg denken. Die
is er nog niet.

6 Ĵ
7  REKENFACTOREN/KAARTDATA: W = in te typen waarde  0.175		   
8 									   
9 	   W	I    J	  K    L					   
10									   
11 KAART-REKENFUNKTIE(S):  A + B = F	E * W = G			   
12 TOTALEN VAN KAARTEN:    som F = I	som G = J   som C = K	som D = L  
13 TOTAAL-REKENFUNKTIE(S): . . . = M					   
14    Nog een totaliseerfunktie  J/N					   
15    Type achtereenvolgend: 1e rekenfactor, rekenteken (+, -, * of /)    
16    en 2e rekenfactor.  Korrecties: BS-toets.  Afsluiten met RETURN.    
17			 ESC: programmering afbreken			   
18
			      Voorbeeld 6

De programmering verloopt exact hetzelfde als de kaart-rekenfunkties. (Zie
pag. 27). De tekst op lijn 14 is er nog niet, die verschijnt pas als er een
rekenfunktie is geprogrammeerd. Het enige verschil tussen kaart-rekenfunkties
en totaalrekenfunkties is, dat als rekenfactor nu niet de letters voor de vel-
den worden gebruikt, doch de letters voor de resultaten van de totaliserings-
funkties, welke nu in lijn 9 staan.

Er kunnen maximaal 3 totaal-rekenfunkties worden geprogrammeerd. De resultaten
daarvan krijgen de letters M, N & O voor respectievelijk de 1e, 2e en 3e totaal
rekenfunktie. Net als bij de kaart-rekenfunkties wordt bij beantwoording van de
vraag op lijn 14 met 'JA', de resultaat-letter van de zojuist geprogrammeerde
rekenfunktie toegevoegd aan de rij letters op lijn 9. Dat resultaat msg dus ook
gebruikt worden als rekenfactor voor een volgende te programmeren totaal-
rekenfunktie.

Zodra de vraag op lijn 14 met 'NEE' wordt geantwoord of er een 3e totaal-
rekenfunktie is geprogrammeerd, worden de geprogrammeerde rekenfunkties uit-
gevoerd. Na het wissen van de tekst op lijn 14 t/m 17 worden de resultaten
I, J, K, L, M, N en O op het scherm gezet, althans indien die geprogrammeerd
waren. De resultaten blijven op het scherm staan staan totdat de ESC-toets
wordt gedrukt om het verster te verwijderen.


RESUME

Het verklaren van de programmeerfunkties was een heel verhaal. Als men het
programmeren nmaal heeft, gedaan, zal men merken, dat met behulp van de
bedieningsaanwijzingen onderin het venster e.e.a. toch erg eenvoudig verloopt.
Elke stap in de programmering omvat slechts het drukken van of n of enkele
toetsen. Het meeste denkwerk wordt door het programma verricht. Bovendien
wordt alleen gereageerd op het invoeren van geldige gegevens. Het maken van
fouten, welke het programma zouden kunnen verstoren is niet mogelijk.


		       P R I N T E R   F U N K T I E S
		      

De printerfunkties zijn ontworpen om met elk type printer te kunnen werken.
Allereerst een overzicht van


BESCHIKBARE PRINTMOGELIJKHEDEN

1.  Wat er op het scherm staat nmaling afdrukken (Screendump)

2.  Alle kaarten automatisch afdrukken. Details programmeerbaar met optie "P"
    in printermenu.

3.  Met zoekfunktie(s) opgezochte kaarten automatisch afdrukken. Details pro-
    grammeerbaar met optie "P" in printermenu.

4.  Alleen de inhoud van ALLE VELDEN afdrukken, f van alle kaarten f van met
    zoekfunktie(s) opgezochte kaarten. Details programmeerbaar met optie "S"
    (selectief printen) in printermenu.

5.  Een aantal te kiezen velden per kaart in een te kiezen volgorde afdrukken.
    Daarbij kan gekozen worden uit f van alle kaarten, of van met zoekfunk-
    tie(s) geselecteerde kaarten. Details programmeerbaar met optie "S"
    (selectief printen) in printermenu. (Deze optie is o.a. geschikt voor
    printen van etiketten.)


AANPASSING AAN BESCHIKBARE PRINTER

Omdat MSX-printers over het algemeen niet erg snel werken, of niet meer gemaakt
werden, zijn veel MSX-computers aangesloten op een andere dan een MSX printer.
Het lag voor de hand de flexibiliteit van FLEXBASE ook voor het printergebruik
te laten gelden.

De meeste niet MSX-printers hebben de mogelijkheid om de printer in te stellen
alsof het een IBM-printer is. Door deze mogelijkheid kunnen vele merken
printers geplaatst worden in de groep "IBM kompatibele printers". Dit levert
in feite al de 3 keuzemogelijkheden voor FLEXBASE op,  n.l.

     1. MSX-printer	 2. IBM-kompatibele printer	3. Andere printer

Elke printer heeft een aantal z.g. karaktersets welke ingesteld/gebruikt kunnen
worden. De IBM karakterset 2, ook wel bekend als USA CODEBLAD 437, TEKENSET 2
is in iedere IBM-kompatibele printer vrijwel zeker aanwezig. Deze karakterset
vertoont ook een grote overeenkomst met de MSX-karakterset. De karakters met
ascii-nummers 32 t/m 175 en 224 t/m 254 (&H20 t/m &HAF en &HE0 t/m &HFE) zijn
identiek. Een afdruk van deze karakterset vindt U achterin deze gebruiksaan-
wijzing. U kunt daarmee kontroleren of Uw printer die karakterset heeft.

Alle printerfunkties zijn programmeerbaar voor uw printer. Bij het afbreken van
het programma worden alle instellingen voor printers opgeslagen in het werk-
programma op disk. Als U het programma een volgende keer opstart zijn alle
printer-instellingen weer aanwezig, U hoeft e.e.a. dus niet opnieuw te program-
meren. Veranderingen kunnen altijd worden aangebracht. De veranderde instel-
lingen worden dan bij het afbreken van het programma weer opgeslagen. U krijgt
dus bij het opnieuw opstarten altijd de laatst gemaakte instellingen terug.

Bij veel printers kunnen een aantal instellingen met druk- of membraantoetsen
worden ingesteld. Die instellingen kunnen echter ook door middel van een serie
printercodes (die naar de printer gestuurd worden) gerealiseerd worden. Een
dergelijke serie printercodes om de printer in te stellen heet een "SETUP-
STRING". Er kunnen 6 setup-strings voor elk van de 3 soorten printers worden
geprogrammeerd. Elke setup-string kan 10 printercodes bevatten. Daarmee kan men
diverse instellingen van de printer van te voren instellen. U kunt b.v. 1 van
de setup-strings gebruiken om er de codes in te zetten voor het resetten van Uw
printer naar de normale standaard instelling.

Met behulp van setup-strings kan het instellen en resetten automatisch gedaan
worden bij respectievelijk het begin en einde van een printopdracht, zodat men
alleen maar de printer hoeft in te schakelen om het printen geprogrammeerd naar
wens te laten uitvoeren.

U kunt setup-strings voor verschillende instellingen programmeren en naar be-
hoefte 1 of meerdere setup-strings selecteren, welke voor een bepaald print-
karwei nodig zijn. Voor elk van de 3 soorten printers kunnen eigen setup-
strings geprogrammeerd worden. Als U meer dan 1 printer bezit kunt U dus voor
elke soort printer de bij die printer passende setup-strings programmeren. Met
de printerkeuze wordt tevens de bijpassende setup-strings-tabel gekozen.



Alle printers kunnen karakters afdrukken met een ascii-nummer tussen 32 en
126. MSX-karakters met een hoger of lager ascii-nummer worden met een MSX
printer probleemloos afgedrukt. Andere printers hebben een aantal van die ka-
rakters wel aan boord, doch verlangen een ander ascii-nummer dan bij MSX, om
zo'n karakter af te drukken. Er zijn voor NIET-MSX printers printerdrivers
ingebouwd om die karakters toch probleemloos af te laten drukken. Voor zowel
een IBM-kompatibele printer als voor "ANDERE PRINTER" is er een conversietabel
aanwezig, welke er voor zorgt dat een MSX ascii-nummer door de printerdriver
wordt omgezet in het ascii-nummer voor die printer. Die conversietabellen zijn
al voor een aantal karakters voorgeprogrammeerd. U kunt die conversietabellen
zelf verder programmeren of veranderen, zodat U dit programma geheel aan kunt
passen aan de printer(s) welke U bezit. Met behulp van het handboek van Uw
printer en de verderop gegeven aanwijzingen zal e.e.a geen probleem zijn.
Met de printerkeuze wordt tegelijk de bijpassende conversietabel gekozen.


			PROGRAMMEREN PRINTERFUNKTIES
			

Als funktietoets F9 wordt gedrukt wordt onderstaand venster geopend.

SOORT PRINTER KIEZEN   (Opties 1, 2 en 3)

Het sterretje staat voor optie 1  Ŀ
als de printerfunkties nog nooit  		  PRINTER MENU		     
geprogrammeerd waren. In dat	  Ĵ
geval ontbreekt de regel met	     [ 1 ]  MSX-printer		     
optie 5. Deze optie is n.l. niet   * [ 2 ]  IBM- of IBM compatibele printer 
nodig voor een MSX-printer. Zodra    [ 3 ]  Andere printer		     
optie 2 of 3 wordt gekozen, ver-     [ 4 ]  Ingeven/wijzigen SETUP-strings  
schijnt de regel met optie 5 en      [ 5 ]  Ingeven/wijzigen conversie data 
wordt het sterretje verplaatst	     [ P ]  Printerdriver progr.  (CTRL-P)  
naar de gekozen optie. Het ster-     [ S ]  Selectie programmeren (CTRL-S)  
retje geeft dus aan welke soort   Ĵ
printer is gekozen. (1, 2 of 3)      ESC:  Venster verwijderen 	     
				  


		 INGEVEN/WIJZIGEN SETUP-STRINGS   (Optie 4)
		 
Als met cijfertoets "4" de optie wordt gekozen, wordt het printermenu verwij-
derd en een programmeervenster voor setup-strings geopend. Hieronder is het
venster voor een MSX-printer afgebeeld. De aanduiding "(6x)" is niet aanwezig,
doch in dit voorbeeld gezet om aan te geven dat er in werkelijkheid niet 2
blanco regels zijn, doch 6. Hier komen de maximaal 6 setup-strings te staan als
die geprogrammeerd worden. (Indien U al eerder setup-strings geprogrammeerd
had, dan waren die opgeslagen en staan nu dus in deze ruimte.) Bij dit voor-
beeld is aangenomen, dat er was gekozen voor 'MSX-printer' en dat er nog nooit
setup-strings waren geprogrammeerd.


  Ŀ
  		     DEFINIEREN SETUP STRINGS MSX-PRINTER		   
  Ĵ
    (6x)								   
  									   
  Ĵ
    Code-teken: .   Setup string: ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... 
  Ĵ
   Voor 'code-teken':  MSX-karakter invullen + <return>                   
   Voor setup string:	Of ascii-nummer of karakter tussen " "  + <return> 
   Afsluiten setup string: SEL-toets					   
   Wissen setup string:    Code teken invullen + <return>, DEL-toets	   
   Terug naar printermenu: ESC 					   
  

Voor NIET-MSX printers is het venster hetzelfde. Alleen de kopregel luidt dan

       of: DEFINIEREN SETUP STRINGS IBM-PRINTER
       of: DEFINIEREN SETUP STRINGS ANDERE PRINTER (NON MSX, NON IBM)

De cursor staat achter 'Code-teken' op de plaats van het puntje. Waar op deze
regel puntjes staan licht de achtergrond op. Deze 11 oplichtende vakjes zijn
de invulveldjes voor het programmeren. De bedieningsaanwijzingen staan in het
onderste gedeelte van het venster.

CODE-TEKEN

Het code-teken is simpelweg een MSX-karakter, waarmee een bepaalde setup-
string wordt aangeduid. Het opgeven van dit code-teken is, zoals we later zul-
len zien, voldoende om de daarbij behorende setup-string te gebruiken. Dit kunt
U beschouwen als de 'NAAM' voor een setup-string. Voor een code-teken dient U
bij voorkeur een MSX-karakter gebruikt te worden, dat U dat nooit in een van de
velden zult invullen. Dit is niet verplicht, doch voorkomt verwarring. Er wordt
aanbevolen om de volgende MSX-karakters als code-teken te gebruiken:

			@, ~, C, E, D, F

U kunt niet de grafische tekens voor kaderlijnen gebruiken als code-teken.
(worden geweigerd)  Die tekens zijn al gebruikt voor de omkadering van de kaart
en worden ook gebruikt voor de diverse vensters. Ook de grafische tekens met de
asciinummers 1, 2, 7 en 11 t/m 15 worden geweigerd. Laatstgenoemde tekens zijn
namelijk niet beschikbaar op TURBO-R machines. Omdat die tekens niet gebruikt
kunnen worden kan dus een op MSX-2 gemaakt bestand probleemloos op een TURBO-R
machine gebruikt worden en andersom. Andere grafische tekens en speciale
MSX-karakters mag U wel gebruiken, doch als die tekens niet beschikbaar zijn
op een TURBO-R machine, dan is het programma niet meer geschikt om te draaien
op TURBO-R. Vandaar de aanbevolen code tekens hierboven. Die garanderen dat het
programma loopt op MSX-2, MSX-2+ en TURBO-R.


SETUP-STRING PROGRAMMEREN

Een voorbeeld is de eenvoudigste manier om de programmeerwijze duidelijk te
maken. Stel U wilt een MSX-printer instellen op 12 karakters per inch en U
wilt een blanco linker marge van 8 karakters breed hebben (om de afdruk op het
midden van een vel A4 te centreren). Verder wilt U de printer weer resetten
naar de standaard instelling als het printkarwei voltooid is.

De printer-besturingscode voor 12 karakters/inch is  "ESC, E" {in basic:
chr$(27);"E" }  De code voor ESC is het decimale getal 27 (ascii-code) en voor
de hoofdletter "E" is de ascii-code het decimale getal 69.

Voor het instellen van de linker marge heeft een MSX-printer geen besturings-
code. Dat moet U doen door de papiergeleiders te verstellen, zodat het vel
papier 8 plaatsen naar links, uit het midden, ingevoerd wordt.

De printer-besturingscode voor reset naar standaardinstelling is "ESC, @".
Dan kan niet, zou U kunnen denken, het teken "@" is een aanbevolen code-teken.
Dat kan wel. Het code-teken dient uitsluitend om in de setup-strings-tabel in
het geheugen de bijbehorende rij printercodes (voor de gekozen printer) op te
zoeken en naar de printer te sturen. Wat voor karakters dat zijn is van geen
belang. De ascii-code voor ESC is 27 en de ascii-code voor "@" is 64.

Nu we de besturingscodes hebben (kunt U opzoeken in Uw printerhandboek) is het
programmeren heel eenvoudig. Als we aannemen dat de aanbevolen code-tekens
worden gebruikt, dan typt U het karakter "@". Dit verschijnt in het 1e oplich-
tende vakje, waar de cursor staat. De BS-toets kunt U gebruiken voor verbete-
ringen. Door drukken van de RET-toets springt de cursor naar het volgende
vakje achter de woorden 'Setup string:' Nu typt U de 1e besturingscode, dat is
dus het getal 27 (de ascsii-code voor ESC). Na bevestigen met de RET-toets
springt de cursor naar het volgende vakje. U moet nu de 2e besturingscode
typen. Dat was ascii-code 69 ofwel de hoofdletter E. Wat nu ?  Omdat in hand-
boeken voor printers soms een letter of ander teken staat, maar soms alleen de
ascii-code en soms beiden, accepteert dit programma n van beiden. Een hexade-
cimale code (&H..) kunt U niet gebruiken, als die in Uw handboek staat. In een
vakje passen maar 3 karakters. Een hex-code moet U omrekenen naar de decimale
ascii-code. Indien U kiest voor het intypen van de letter, dan moet U eerst een
aanhalingsteken typen, vervolgens de letter en dan nog eens een aanhalings-
teken.

Als U de 2e besturingscode heeft ingetypt, staan zowel het code-teken als de
besturingscodes in de oplichtende vakjes. Deze worden definitief geprogrammeerd
door drukken van de SELECT-toets. Als de select-toets wordt gedrukt wordt de
setup-string in de eerste blanco regel onder de kop geplaatst en de codes in de
oplichtende vakjes worden weer gewist.

Vervolgens typt U: het teken  ~, RET, 27, RET, 64 (of "@"), SELECT. Dus op
dezelfde wijze als de 1e setup-string. Het bovenste deel van het venster ziet
er nu uit alsvolgt:

  Ŀ
  		     DEFINIEREN SETUP STRINGS MSX-PRINTER		   
  Ĵ
  	      "@":   27   "E"                                              
  	      "~":   27   "@"                                              

Een ingetypte ascii-code vanaf 32 t/m 126 wordt altijd weergegeven als het
karakter tussen aanhalingstekens. Voor karakters met een hoger of lager ascii-
nummer dan voornoemd wordt het asciinummer ingevuld. Dit houdt verband met de
eventueel andere asciinummers bij NIET-MSX printers. Het codeteken "@" is de
naam voor de setup-string voor het instellen van de printer voordat met printen
wordt begonnen en het codeteken "~" is de naam voor de setup-string voor
resetten van de printer nadat het printkarwei is voltooid. Hoe het codeteken
wordt gebruikt, wordt behandeld bij het programmeren van de printerdriver.
(Zie pag. 38)

Tijdens het intypen van een printercode is de volgende kontrole aktief: Als
de 1e toetsdruk een cijfer was, worden voor een eventuele 2e en 3e toetsdruk
alleen maar cijfers geaccepteerd. Indien de 1e toetsdruk een aanhalingsteken
was, wordt voor de 2e toetsdruk alleen een KARAKTER geaccepteerd met een ascii-
nummer 32 t/m 126 en voor de 3e toetsdruk alleen een aanhalingsteken. Pas
daarna wordt de RET-toets of de SELECT-toets geaccepteerd. Pertinent onjuiste
ingave is daardoor niet mogelijk.

Indien U meerdere besturingscodes dan die ene (in het voorbeeld op de vorige
pagina), nodig heeft voor de gewenste printerinstelling, dan kunt U die gewoon
achter elkaar zetten in n string van maximaal 10 printercodes. Als U dezelde
startinstelling als in het voorbeeld voor een IBM-kompatibele printer zou pro-
grammeren, heeft U voor het instelling van 12 karakter/inch de codes  ESC, ":"
nodig en voor de 8 karakters brede marge de codes:    ESC  "X"  8  "X"

Als die 2 series besturingscodes achter elkaar worden ingegeven wordt de
regel onder de kop:

  	      "@":   27   ":"  27   "X"  8    "X"                         

Er kunnen 6 setup-strings geprogrammeerd worden, 5 voor setup-strings en 1
voor printer reset. Omdat besturingscodes voor een bepaalde instelling achter
elkaar kunnen worden gezet, is er dus voldoende ruimte om meerdere verschil-
lende printerinstellingen te programmeren, waaruit voor een bepaald printkarwei
de passende printerinstelling gekozen kan worden.

    ATTENTIE: Er kan maar 1 setup-string voor RESET printer worden gebruikt.

Omdat alle printerinstellingen opgeslagen worden bij afbreken van dit programma
behoeft het programmeren maar 1 x gedaan te worden.

TIP: Als U meerdere printers bezit, zijn de benodigde besturingscodes bijna
     altijd anders. Als U voor een bepaald printkarwei de besturingscodes voor
     meerdere printers programmeert, zorg er dan voor, dat U voor een zelfde
     instelling hetzelfde code-teken gebruikt in elke setup-string-tabel voor
     de betreffende printer. Als U straks een (of meer) code-teken(s) kiest
     bij het programmeren van de printerdriver, dan klopt het code-teken voor
     de gewenste taak, voor elke printer. Met de printerkeuze uit het printer-
     menu kiest U n.l. tegelijk de te gebruiken setup-string-table voor die
     printer.


WISSEN OF WIJZINGEN SETUP-STRING

Een reeds geprogrammeerde setup-string kunt U wissen door het code-teken van
de string te typen. Dit verschijnt in het eerste vakje achter 'Code-teken'.
Door vervolgens de DEL-toets te drukken wordt de bijbehorende setup-string
uit het bovenste deel van het venster verwijderd en tevens het code-teken in
het eerste vakje gewist.

Voor wijzigingen typt U het code-teken van de te wijzigen setup-string. Dit
verschijnt in het 1e vakje. Vervolgens drukt U de RET-toets. Daardoor springt
de cursor naar het 1e van de 10 invulvakjes en daarin verschijnt de 1e bestu-
ringscode. Indien die code niet verandert moet worden drukt U de RET-toets. De
cursor springt naar het volgende vakje en daarin verschijnt de volgende bestu-
ringscode, enz. totdat de te veranderen code in een vakje staat. Met de BS-
toets kunt U de code geheel of gedeeltelijk wissen en opnieuw intypen. Zo kunt
U alle codes terughalen naar de vakjes en zonodig veranderen. Als de SELECT-
toets wordt gedrukt, wordt de string teruggeplaatst in het venster zoals die in
de invulvakjes staat. Niet teruggehaalde codes worden automatisch geannuleerd.

Als de programmering gereed is drukt U de ESC-toets om terug te gaan naar het
printermenu. Daar kunt U een andere soort printer kiezen en daarna optie 4 om
setup-strings voor die printer te programmeren. (Of een andere optie kiezen of
het printermenu verlaten door de ESC-toets te drukken.)


	       INGEVEN OF WIJZIGEN CONVERSIE DATA   (Optie 5)
	       

Als het printermenu op het scherm staat en er is gekozen voor f IBM-printer f
andere printer, is optie 5 beschikbaar. Als optie 5 wordt gekozen, wordt het
printermenu verwijderd en voor het gekozen type printer het bijbehorende
programmeervenster geopend.

Zoals reeds eerder vermeld is voor een IBM-kompatibele printer de karakterset
2 van IBM (USA codeblad 437, set 2) het meest geschikt voor gebruik met MSX.
De in dit programma gebruikte kaderlijntekens zitten wel in genoemde karakter-
set doch hebben afwijkende asciinummers. Deze tekens en nog enkele andere
zijn al voorgeprogrammeerd voor IBM-karakterset 2. Het enige wat U zelf moet
doen is het instellen van de printer op genoemde karakterset. Daarvoor kunnen
meestal enkele z.g. dipswitches worden omgezet. Na het kiezen van de IBM-karak-
terset 2 kunt U zo aan de slag met de voorgeprogrammeerde conversie-tabel.

Het is meestal ook mogelijk om de IBM-karakterset 2 te kiezen met printerbestu-
ringscodes. In dat geval kunt U de dipswitches onberoerd laten en de printer
omschakelen met n of meerdere setup-strings. (Zie pag. 32 e.v.)

In het handboek van Uw printer kunt U nagaan hoe Uw printer omgeschakeld kan
worden naar IBM-karakterset 2 en of dit softwarematig kan met besturingskodes.
In dat geval hoeft U alleen maar de setup-string(s) te programmeren om aan de
slag te kunnen met een IBM-kompatibele printer.

Zolang U de benodige informatie niet heeft uitgezocht kan ook uw IBM-kompati-
bele printer direkt worden gebruikt als optie 3 (andere printer) uit het
printermenu wordt gekozen. Het resultaat is dan echter wat de kaderlijnen
betreft wat minder fraai.
Voor een "ANDERE PRINTER" zijn de kaderlijntekens zo voorgeprogrammeerd, dat
vervangende tekens daarvoor zullen worden gebruikt met ascii-nummers kleiner
dan 126. Indien geen handboek voor "andere" printer voorhanden is, kan daardoor
toch met die printer worden gewerkt. Is er wel een handboek, dan kunt U zelf
nagaan of Uw printer in IBM-mode geschakeld kan wor-
den of niet. Zo ja, dan kunt U de IBM programmering gebruiken.

Zo neen, dan kunt nagaan of de kaderlijn-tekens met die "andere" printer afge-
drukt kunnen worden. Is dat het geval, dan kunt U de programmering van de bij-
behorende conversietabel aanpassen voor een fraaier resultaat, dan met de hui-
dige programmering mogelijk is. Dit is n.l. een noodvoorziening.

Indien opties 2 en daarna optie 5 in het printermenu worden gekozen, wordt het
printermenu vervangen door onderstaand programmeervenster.

  Ŀ
  		      CONVERSIE TABEL IBM PRINTERDRIVER 		   
  Ĵ
   "" = 192   "" = 193   "" = 217   "" = 196   "C" = 3     "E" = 5    
   "" = 195   "" = 197   "" = 180   "" = 179   "D" = 4     "F" = 6    
   "" = 218   "" = 194   "" = 191   "U" = 21                           
  ( 5x )								   
  Ĵ
    Code-teken: .  Ascii-nummer:  ...					   
  Ĵ
   Voor 'code-teken':         MSX-karakter invullen + <return>            
   Ascii-nummer:	       Volgens USA codeblad 437 set 2  + <return>  
   Wissen conversie-codering: Code teken invullen + <return>, DEL-toets   
   Terug naar printermenu:    ESC					   
  

Op de 3 regels onder de kop ziet U de voorgeprogrammeerde conversiedata staan.
De aanduiding ( 5x ) op de volgende regel duidt aan, dat er in werkelijkheid
nog 5 blanco regels zijn i.p.v. deze ene.  Er is ruimte in de tabel voor
8 x 6 = 48 sets conversiedata. Het code-teken is een MSX-karakter, dat bij de
IBM-karakterset 2 een ander asciinummer heeft dan bij de MSX-karakterset. Dit
code-teken staat in de tabel tussen aanhalingstekens. Achter het '=' teken
staat het asciinummer voor hetzelfde teken bij de IBM-karakterset 2.

De cursor staat op de plaats van het puntje achter 'Code-teken:'. In het onder-
ste deel van het venster staan de bedieningsaanwijzingen. De BS-toets is aktief
voor eventuele verbetering van typefoutjes.

Indien voor "IBM-kompatibele printer" is gekozen in het printermenu, wordt
automatisch de printerdriver voor IBM geaktiveerd. en zal de ascii-code van elk
MSX-karakter dat in de tabel staat geconverteerd worden naar de ascii-code voor
IBM, welke achter het '=' teken staat. Hetzelfde geldt voor "ANDERE printer".


PROGRAMMEREN CONVERSIE DATA

Achter 'Code-teken:' is een oplichtend vakje op de plaats van de punt. Op de
plaats, waar verderop de 3 puntjes staan is een tweede oplichtend vakje. In
deze vakjes komt de data die U in moet typen. Allereerst typt U het MSX-
karakter, hetwelk moet worden geconverteerd. Dit verschijnt in het 1e vakje.
Zodra de RET-toets wordt gedrukt, springt de cursor naar het 2e vakje.

Nu moet U het asciinummer voor een identiek IBM-karakter invullen als decimaal
getal. De notatie &H.. is niet toegestaan en zal worden geweigerd. Het ascii-
nummer kunt U vinden in "USA codeblad 437, set 2". Een afdruk van deze IBM-
karakterset vindt U achterin deze gebruiksaanwijzing.

Zodra de RET-toets wordt gedrukt wordt de ingetypte data definitief geprogram-
meerd en toegevoegd aan de data in de tabel. Tegelijk worden de vakjes gewist
en de cursor wordt weer in het 1e vakje geplaatst voor het ingeven van de
volgende set data.

Als U klaar bent met programmeren drukt U de ESC-toets om terug te keren naar
het printermenu.


WISSEN OF WIJZIGEN VAN GEPROGRAMMEERDE DATA

Door typen van een MSX-karakter, dat tussen aanhalingstekens in de tabel staat
verschijnt in de beide vakjes de data uit de tabel en de cursor staat achter
het asciinummer. U kunt nu met de BS-toets een fout asciinummer wissen en
opnieuw intypen. Na drukken van de RET-toets wordt de verbeterde data terug-
gezet in de tabel en de vakjes weer gewist.

Als U een MSX-karakter uit de tabel heeft getypt en daarna de DEL-toets drukt,
wordt de data welke in de vakjes is gezet verwijderd uit de tabel. De plaats
waar die data in het geheugen stond is nu vrij. Indien U daarna andere data
ingeeft, zal die in de tabel worden gezet op de vrije plaats. Die verschijnt
dan in het venster op dezelfde plaats als waar de gewiste data heeft gestaan.

Een waarschuwing is hier op zijn plaats. Als U experimenteert met het program-
meren, type dan GEEN reeds in de tabel voorgeprogrammeerd  MSX-karakter. Als
U die data zou veranderen, verminkt U de huidige IBM programmering . Dat is
alleen nog te herstellen als U wat er in de tabel stond opnieuw programmeert !!
De hierbvoor afgedrukte IBM-programmering is dan onontbeerlijk.

  Ŀ
   Aanbevolen wordt om alleen eventueel meer data te programmeren, doch 
   de reeds aanwezige data met rust te laten. Dit voorkomt problemen met
   een niet meer goed funktionerende IBM printerdriver.		 
  

CONVERSIE DATA VOOR ANDERE PRINTER

Als "andere printer" is geselecteerd in het printermenu en optie 5 wordt geko-
zen krijgt U het programmeervenster voor een andere printer op het scherm,
hetwelk hieronder is afgebeeld. Alleen de koptekst en inhoud van de tabel is
anders dan in het venster voor IBM. (zie pagina 36)

  Ŀ
  	   CONVERSIE TABEL PRINTERDRIVER  (NON-MSX, NON-IBM PRINTER)	   
  Ĵ
   "" = "|"   "" = "-"   "" = "|"   "" = "-"   "" = "|"   "" = "-"  
   "" = "|"   "" = "-"   "" = "|"   "" = "|"   "" = "|"              

Zoals U ziet zijn nu niet de asciinummers ingevuld achter het '=' teken. Dat
komt omdat de asciinummers van de vervangingstekens in het gebied 32 t/m 126
liggen. Dan wordt (net als bij setup-strings) het karakter tussen aanhalings-
tekens afgedrukt i.p.v. het asciinummer.

De voorprogrammering is, zoals eerder vermeld, een noodvoorziening om te kunnen
werken met een printer, waarvan U geen handboek heeft. Heeft U dat wel, dan
kunt U door bestudering daarvan bekijken of de karakterset daarvan de kader-
lijntekens bevat. Zo ja, dan kunt U de data in de tabel wijzigen als op de
vorige pagina omschreven. Doe dit eerst in klad op papier en als U er zeker van
bent, dat e.e.a. goed is, verander dan pas de voorgeprogrammeerde data. Als het
programmeren van de conversietabel gereed is drukt U de ESC-toets om terug te
keren naar het printermenu.









			       PRINTOPDRACHTEN
			  

Bij het begin van een printopdracht wordt gekontroleerd of de printer gereed
is om te printen. Bij MSX-printers kan de computer zien of de printer ingescha-
keld is en of de printer bereid is (staat niet op stand-by). Bij NIET MSX
printers is het meestal niet mogelijk om te zien of de printer ingeschakeld is.
Daar moet U zelf op letten. Er kan wel gezien worden of die printer op stand-by
geschakeld is en dus "niet bereid" is om te printen. Als een MSX-printer niet
ingeschakeld is of 'n printer op stand-by geschakeld staat, wordt een print-
opdracht niet geaccepteerd en verschijnt op de info-regel de foutmelding:

Printer niet gereed. Herstel fout en druk toets (ESC = printopdracht annuleren)

Als U de fout heeft hersteld en daarna een toets drukt, begint het printen. Als
de foutmelding blijft verschijnen en U weet de oorzaak niet (b.v. door een
defekte printerkabel) zou het programma vastzitten in deze situatie. Om hieruit
te ontsnappen is de ESC-toets aktief om de printopdracht te annuleren.

Er zijn 4 toetskombinaties voor printopdrachten:

   1. CTRL-D   Het maken van een screendump
   2. CTRL-P   Kaarten printen op geprogrammeerde wijze
   3. CTRL-S   De inhoud van velden printen op geprogrammeerde wijze.
   4. CTRL-Q   Printen afbreken.


SCREENDUMP  (CTRL-D)

Door drukken van de toets-kombinatie CTRL-D wordt uitgeprint wat er op dat
ogenblik op het scherm staat. Voordat het printen begint wordt een start-setup-
string naar de printer gestuurd. Na het maken van de screendump wordt een
reset-setup-string naar de printer gestuurd. Voor setup-strings geldt, dat die
UITSLUITEND naar de printer gestuurd worden indien hun CODE-TEKENS ZIJN
GEPROGRAMMEERD voor CTRL-P. Voor CTRL-D worden n.l. dezelfde setup-strings ge-
bruikt als voor CTRL-P (Zie programmering printerdriver op pag. 40 e.v.).  Er
hoeft niets geprogrammeerd te worden als U geen setup-strings wilt gebruiken.

Bij screendump moet U zelf in de gaten houden, wanneer er een nieuw vel papier
in de printer geplaatst moet worden. Bij de andere printopdrachten is een
kontrole hierop programmeerbaar. (Zie volgende pagina, printerdrijver.)


KAARTEN AUTOMATISCH PRINTEN  (CTRL-P)

Indien er nog geen bestand aanwezig is wordt "CTRL-P" genegeerd. Als er een
lege kaart op het scherm staat wel wordt "CTRL-P" afgehandeld alsof "CTRL-D"
voor screendump was gedrukt. Zie boven.

Door drukken van de toetskombinatie CTRL-P wordt het automatisch printen van
kaarten ingeschakeld (alle- of opgezochte kaarten). Vr de 1e kaart wordt
geprint, wordt een start-setup-string naar de printer gestuurd. Als de laatste
kaart is geprint wordt een reset-setup-string naar de printer gestuurd. Setup-
strings worden alleen verstuurd, als hun code-teken(s) voor CTRL-P zijn gepro-
grammeerd. (Zie programmering printerdrijver op pag. 40 e.v.)

De details voor het printen van kaarten worden bepaald door de programmering
van de printerdriver, optie "P" in printermenu. Zolang daar niet gekozen is
wat er geprint moet worden, heeft CTRL-P geen effekt.


INHOUD VELDEN AUTOMATISCH PRINTEN  (CTRL-S)

Met de toetskombinatie CTRL-S wordt het automatisch printen van velden inge-
schakeld. Deze opdracht wordt geweigerd indien er een lege kaart op het scherm
staat of er nog geen bestand aanwezig is.
Indien nog niet gekozen is voor printen van velden f van alle kaarten f van
opgezochte kaarten worden de velden van de kaart, welke op het scherm staat
nmalig afgedrukt als test-afdruk (Zie pagina 45). Vr met printen wordt
begonnen, wordt een start-setup-string naar de printer gestuurd. Als de velden
uit de laatste kaart zijn geprint, wordt een reset-setup-string naar de printer
gestuurd. Setup-strings worden alleen verstuurd, als hun code-tekens voor
CTRL-S zijn geprogrammeerd. (Zie programmering printerdriver op pag. 44 e.v.)

De print-details omtrent welke velden, in welke volgorde, van welke kaarten
enz. worden bepaald door de "Programmering selectief velden printen", optie "S"
in printermenu, welke verderop zal worden besproken.


PRINTEN AFBREKEN   (CTRL-Q)

Met de toetskombinatie CTRL-Q wordt het versturen van data naar de printer
beindigd als alle data voor een kaart geheel zijn verstuurd. Daarna wordt nog
een reset-setup-string verzonden. althans indien het code-teken daarvan was
geprogrammeerd in de printerdriver. Bij het printen van velden van met zoek-
funktie(s) opgezochte kaarten, moet CTRL-Q even ingedrukt gehouden blijven tot
de volgende opgezochte kaart op het scherm verschijnt.

Indien Uw printer een ingebouwd buffergeheugen heeft, zal Uw printer pas stop-
pen met printen als het buffergeheugen leeg geprint is. Om het printen onmid-
delijk te stoppen is er dan maar 1 mogelijkheid, printer uitschakelen.



			PROGRAMMERING PRINTERDRIVER
			

Als in het printermenu optie "P" wordt gekozen, wordt het printermenu verwij-
derd en onderstaand programmeer venster geopend. In dit voorbeeld zijn in de
linkermarge nummers gezet, welke in niet op het scherm staan. Die dienen om
naar die regels te verwijzen bij het verklaren van de funktie van een regel.

Voor het programmeren van de funktie "velden printen" is een apart programmeer-
venster aanwezig, omdat hierbij meer en andere details ingesteld kunnen worden.
Dit wordt in het volgende hoofdstuk behandeld. (Zie pagina 44)

De opties voor "kaarten printen" (regels 4 t/m 8, linker deel) is in onder-
staand venster samengevoegd met de algemene printerdriver instellingen, regels
1 t/m 3  en  9 t/m 11. Met deze algemene instellingen wordt voorgeprogrammeerd
wat er ZAL GEBEUREN als een printopdracht wordt gegeven met de toetskombinatie
CTRL-D, CTRL-P of CTRL-S.

    Ŀ
    			PRINTERDRIVER PROGRAMMERING			
    Ĵ
1     Bij start printen met 'CTRL-S':  Setup-string(s):                
2     Bij start printen met 'CTRL-P':  Setup-string(s):                
3     Pag. Nummering: ja/nee	Eerste pag.nr.: 1     Li/Mi/Re		
    Ĵ
    		     'CTRL-P'                         'CTRL-S'         
4     Alle kaarten printen	      ja/nee  Printen volgens programma
5     Opgezochte kaarten printen     ja/nee  selectief velden printen 
6     Aantal Kaarten per pagina:     1      Ĵ
7     Blanco regels na elke kaart:   1 				
8     ContinUe printen (sheetfeeder) ja/nee  Autom. Formfeed	ja/nee	
    Ĵ
9     Bij printen afbreken (CTRL-Q) prInter tevens resetten  ja/nee	
10    Indien gestart met 'CTRL-S':  reset met setup-string:            
11    Indien gestart met 'CTRL-P':  reset met setup-string:            
12    ESC: Programmering afsluiten.  Gebruik printerbuffer:  AAN/UIT	
    

Op elke regel staan 1 of meer hoofdletters in een oplichtende achtergrond.
Dit zijn de kommandoletters voor de funktie(s) op die regel. Dit systeem maakt
bedieningsaanwijzingen overbodig omdat men kan zien welke kommandoletter
gebruikt moet worden. Bij funkties waar data ingetypt moet worden verschijnt
de cursor in beeld.

EVEN ONTHOUDEN: Zolang de cursor in beeld is, is een programmeer-aktie niet
		afgesloten. Er wordt dan niet gereageerd op een kommandoletter
		en ook niet op de ESC-toets.


SETUP-STRING(S) VOOR VELDEN PRINTEN  regel 1

Letter "S" (van CTRL-S) is de kommandoletter. Als die gedrukt wordt, zal de
cursor achter het einde van regel 1 worden geplaatst.

Nu moet U het code-teken typen van de setup-string welke U voor het printen van
VELDEN heeft geprogrammeerd. (Zie pag. 31 t/m 34). U kunt maximaal 5 code-
tekens intypen. Indien U meer dan 1 code-teken intypt, zullen alle bijbehorende
setup-strings achter elkaar naar de printer gestuurd worden in de volgorde van
de ingegeven code-tekens vrdat het printen van velden begint. Door drukken
van de RET-toets wordt Uw keuze geprogrammeerd. De cursor verdwijnt uit beeld,
ten teken, dat weer een kommandoletter kan worden gebruikt.

Voor het wissen/veranderen van n of meerdere eerder geprogrammeerde code-
tekens drukt U de commandoletter, wist met de BS-toets wat U wissen wilt en
typt U eventueel een ander code-teken. Vervolgens drukt U de RET-toets. Als er
geen codeteken is ingevuld of dit werd gewist, wordt er ook geen setup-string
naar de printer gestuurd.


SETUP-STRING(S) VOOR KAARTEN PRINTEN (of screendump)  regel 2

Letter "P" (van CTRL-P) is de kommandoletter. Als die gedrukt wordt, zal de
cursor achter het einde van regel 2 worden geplaatst. Nu moet U het code-teken
typen van de setup-string(s) welke U voor het printen van KAARTEN heeft gepro-
grammeerd (Zie pag. 31 t/m 34). U kunt maximaal 5 code-tekens intypen. Verder
verloopt alles als in de vorige alinea vermeld. De keuze van setup-string(s)
voor kaarten geldt ook voor het maken van een screendump met "CTRL-D".


PAGINA NUMMERING EN PLAATS DAARVAN  regel 3

Letter "N" (van Nummering) is de kommandoletter. Van de 2 woorden 'ja/nee'
staat er altijd n in oplichtend vakje. Met de kommandoletter schakelt U om
van 'ja' naar 'nee' en andersom. Indien 'nee' in een oplichtend vakje staat is
de rest van de regel NIET AKTIEF, bij 'ja' WEL.

Letter "E" (van Eerste) is de kommandoletter bij 'ja'. Als die gedrukt wordt,
wordt de cursor achter het paginanummer geplaatst. Met de BS-toets kunt U dit
paginanummer wissen en een ander beginnummer typen van maximaal 3 cijfers. Door
drukken van de RET-toets wordt dit nummer als 1e te gebruiken paginanummer
geprogrammeerd en de cursor verdwijnt uit beeld. Het paginanummer NUL is niet
toegestaan. Als U "0" zou typen wordt dat door het programma veranderd in "1
zodra de RET-toets wordt gedrukt.

Aan het eind van regel 3 staat "Li/Mi/Re". Dit zijn afkortingen van links,
midden en rechts. Een van de 3 staat in een oplichtend vakje. Dit is de plaats
waar het woord "Pagina" gevolgd door het paginanummer zal worden afgedrukt in
de kopregel van de te printen pagina. Met de kommandotoetsen "L", "M" of "R"
kunt U kiezen waar het paginanummer moet worden afgedrukt. Het oplichtende
vakje verspringt naar de gemaakte keuze. Er wordt niet op de toetsen L, M of
R gereageerd als het woord 'nee' in het begin van de regel in een oplichtend
vakje staat.


Na het printen van de kopregel (Pagina ...) schuift de printer het papier 2
regels op, er komt dus nog een blanco regel voordat de eerste kaart (of de 1e
serie velden) zal worden afgedrukt. Als het woord 'nee' oplicht schuift de
printer het papier ook 2 regels op. De plaats waar begonnen wordt met printen
is dus hetzelfde, met of zonder pagina-nummer.


PRINTER JA/NEE RESETTEN  regels 9, 10 en 11

Deze optie vereist enige verduidelijking. Als een printkarwei gereed is, ge-
draagt het programma zich alsof de toetskombinatie CTRL-Q werd gedrukt om het
printen af te breken. De tekst "Bij printen afbreken" op regel 9 betekent dus
tevens "Bij einde printopdracht". Op deze regel was geen plaats voor deze
nadere aanduiding. In feite beslist U dus hier voor al of niet resetten van de
printer als het printen op een of andere manier wordt beindigd.

Letter "I" (van prInter) is de kommandoletter. Van de woorden 'ja/nee' staat
er n in een oplichtend vakje. Als de kommandoletter wordt gedrukt, verspringt
het verlichte vakje van 'ja' naar 'nee' of andersom. Als 'nee' oplicht, zijn de
regels 10 en 11 NIET AKTIEF. Bij 'ja' WEL. Alleen dan wordt gereageerd op de
kommandoletters van de regels 10 en 11. U kunt met deze optie het gebruik
van een reset-setup-string uitschakelen zonder de programmering daarvan op re-
gels 10 en 11 te hoeven verwijderen.


RESET SETUP-STRING BIJ VELDEN PRINTEN	regel 10

Letter "C" (van CTRL-S) is de kommandoletter. Als die wordt gedrukt wordt de
cursor aan het eind van regel 10 geplaatst. U moet nu het code-teken invullen
van de setup-string voor "reset printer", welke U had geprogrammeerd (Zie pag.
31 t/m 34). Met de RET-toets wordt dit definitief geprogrammeerd en de cursor
verdwijnt uit beeld.

Voor het veranderen/wissen van het code-teken drukt U de kommandoletter. Daarna
kunt U met de BS-toets wissen en RET drukken of U kunt een ander code-teken
intypen en RET drukken. Als er geen code-teken is geprogrammeerd, wordt ook
geen reset setup-string naar de printer gestuurd. (Ook niet als 'nee' op regel
9 is geprogrammeerd.)


RESET SETUP-STRING BIJ KAARTEN PRINTEN	 regel 11

Letter "T" (van CTRL-P) is de kommandoletter. Het programmeren van het code-
teken gaat exact hetzelfde als in de vorige alinea beschreven.


PROGRAMMERING KAARTEN PRINTEN	regels 4 t/m 8

(Wat in het rechter deel van regels 4 en 5 staat is slechts informatie.)

De tekst op regel 4 verlangt enige aanvulling. Bij het printen van "alle kaar-
ten" wordt altijd begonnen met de kaart die op het scherm staat als het prin-
termenu wordt opgeroepen met F9. Als U het hele bestand wilt uitprinten moet U
dus eerst kaart 1 op het scherm zetten met de SELECT-toets funktie (Zie pag.
17). U kunt het printen afbreken en later vervolgen, door de kaart te selecte-
ren waar U gebleven was en het paginanummer aan te passen (zie vorige pag.).

Als extra service verschijnt op de info-regel de mededeling: "Printen begint
met kaartnr .......   OKE ?   J/N" U kunt nu nog met "N" terug om alsnog de
gewenste beginkaart op het scherm te zetten (Zie pag. 17, selectfunktie).
Door "J" te antwoorden wordt met printen begonnen.





ALLE KAARTEN PRINTEN   regel 4

Letter "A" (van Alle) is de kommandoletter. Een van de woorden 'ja/nee"'
staat in een oplichtend vakje. Als de kommandoletter wordt gedrukt verspringt
het oplichtende vakje van 'ja' naar 'nee' of andersom.

Als U kiest voor 'ja' en op volgende regel was ook al voor 'ja' gekozen, dan
verandert op regel 5 'ja' in 'nee', omdat slechts n van beide opties mogelijk
is. Het printen begint pas als voor automatisch kaarten printen is gekozen met
de toetskombinatie "CTRL-P" (Zie pag. 38). Indien op beide regels 4 en 5 voor
'nee' is gekozen wordt de printopdracht 'CTRL-P' genegeerd.


OPGEZOCHTE KAARTEN PRINTEN  regel 5

Letter "O" (van Opgezochte) is de kommandoletter. Een van de woorden "ja/nee"
staat in een oplichtend vakje. Als de kommandoletter wordt gedrukt verspringt
het oplichtende vakje van 'ja' naar 'nee' of andersom. U kiest hier voor het
uitprinten van kaarten welke met zoekfunktie(s) zijn geselecteerd.

Als U kiest voor 'ja' en op de vorige regel was ook al 'ja' gekozen, dan
verandert op regel 4 'ja' in 'nee', omdat slechts n van beide opties mogelijk
is. Het printen begint pas nadat een opgezochte kaart op het scherm is gezet en
als tevens de toetskombinatie "CTRL-P" wordt gedrukt (of al eerder was gedrukt)
voor automatisch printen. Met CTRL-P kunt U dus ook kiezen bij welke opgezochte
kaart het printen moet beginnen. Daarna wordt elke volgende opgezochte kaart
automatisch uitgeprint.

Indien op beide regels 4 en 5 voor 'nee' is gekozen, wordt de printopdracht
'CTRL-P genegeerd.

Als alternatief kunt U ook "CTRL-D" (screendump) kiezen voor alleen maar
afdrukken van 1 opgezochte kaart "CTRL-D" Dit geeft echter niet de faciliteiten
t.a.v. de pagina indeling, zie hieronder.


AANTAL KAARTEN PER PAGINA   regel 6 en 7

U weet hoeveel regels Uw printer op een vel papier af kan drukken. Het aantal
regels van de door U ontworpen kaart is ook bekend. Een kaart wordt niet
precies zo afgedrukt als die op het scherm staat. De 3 kopregels op het scherm
worden vervangen voor 1 kaderlijn. Na de afsluitlijn onderaan de kaart, wordt
altijd minimum 1 blanco regel afgedrukt. Als U het aantal regels inclusief de
kop telt en daar 1 van aftrekt, heeft U het aantal regels, dat voor afdrukken
van 1 kaart nodig is (inclusief 1 blanco regel na einde kaart). Als Uw printer
b.v. 60 regels kan afdrukken op 1 vel papier, zijn de 1e 2 regels blanco of
gebruikt voor paginanummer + 1 blanco kopregel. Er blijven dan 58 regels over
voor kaarten. Als voor 1 kaart afdrukken b.v. 14 regels nodig zijn passen er 4
kaarten op 1 vel papier en zijn er nog 2 regels over.

Letter "K" (van Kaarten) is de kommandoletter. Als die wordt gedrukt, wordt
de cursor achter het voorgeprogrammeerde minumum aantal (1) geplaatst. Met de
BS-toets kunt U dit getal wissen en het werkelijke aantal kaarten intypen, het-
welk op 1 pagina past. Bij het voorbeeld hierboven zou dat dus 4 zijn. Door
drukken van de RET-toets wordt dit aantal geprogrammeerd en de cursor wordt
verwijderd. Als U "0" (nul) in zou typen wordt dit door het programma verandert
in 1, het minimum aantal.


AANTAL BLANCO REGELS NA ELKE KAART   regel 7

Letter "B" (van Blanco) is de kommandoletter. Als die wordt gedrukt. wordt de
cursor achter het voorgeprogrammeerde minimum aantal (1) geplaatst. Het veran-
deren geschiedt op dezelfde wijze als voor het aantal kaarten, zie hierboven.



CONTINUE PRINTEN JA/NEE   regel 8

Letter "U" (van ContinUe) is de kommandoletter, waarmee U kunt wisselen tussen
'ja' en 'nee'. Een van deze 2 woorden staat in een oplichtend vakje om aan te
geven, wat er geprogrammeerd is.

Als 'nee' in een oplichtend vakje staat zal, zodra het vel papier vol is, het
vel worden uitgeworpen door de printer. Tegelijk verschijnt op de info-regel
het bericht:   "Plaats papier in printer en druk spatiebalk"     Zodra dat is
gebeurt wordt het printen vervolgd.

Als Uw printer een automatische papierinvoer heeft (z.g. sheetfeeder) of als U
met kettingformulieren werkt, kan het printen continue verlopen. Als 'ja' is
gekozen wordt na de papierwisseling het printen vervolgd en het bovengenoemd
bericht blijft achterwege.

Als een met zoekfunktie(s) gevonden kaart op het scherm wordt gezet zal op de
info-regel tegelijk de vraag "Verder zoeken J/N  ?" verschijnen. Bij printen
van 'opgezochte kaarten gebeurt dit normalerwijze ook. Als echter voor continue
printen 'ja' is gekozen wordt, nadat de inhoud van de kaart naar de printer is
verzonden, wordt direct doorgegaan met zoeken en voornoemde vraag blijft
achterwege.


AUTOMATISCHE FORMFEED	Regel 8, rechts

Letter "F" (van Formfeed) in de kommandoletter. Als die wordt gedrukt ver-
springt het oplichtende vakje van 'nee' naar 'ja' of andersom. Met deze optie
kunt U het programma een formfeed signaal laten versturen naar de printer.

In het voorbeeld hierboven waren er na het printen van de 4 kaarten nog 2
regels over. Als er niets zou worden gedaan, zou de printer de 1e 2 regels voor
een volgende pagina daar afdrukken. Dat is dan f het paginanummer + 1
blanco regel, f 2 blanco regels (bij GEEN paginanummering). Dat moet echter
pas aan het begin van de volgende pagina. Door 'ja' te kiezen geeft het
programma nu het formfeed signaal zodra de laatste kaart van een pagina + de
volgende blanco regel(s) (geprogrammeerd op regel 7) afgedrukt zijn.

Indien met een sheetfeeder of met kettingformulieren wordt gewerkt is het
mogelijk dat de printer niet 1 maar 2 maal de pagina wisselt. Als Uw printer
dit doet, dan moet de formfeed bij de printer worden uitgeschakeld. Hoe dat
moet kunt U vinden in het handboek van Uw printer. Op pag. 49 bij "Etiketten
printen" vindt U enkele aanwijzingen betreffende het uitschakelen van het
formfeed signaal bij printers.


PRINTERBUFFER AAN/UIT	regel 12

Voor Japanse computers met slechts 64k RAM is er geen RAM-geheugen voor de
ingebouwde printerbuffer beschikbaar. Deze optie kan dan niet gebruikt worden.
Om zoveel mogelijk geheugen beschikbaar te houden voor laden van een bestand,
is de printerbuffer altijd uitgeschakeld bij opstarten van het programma. Het
woord 'UIT' staat in een oplichtend vakje.

Letter "G" (van Gebruik) is de kommandoletter. Als die wordt gedrukt springt
het oplichtende vakje van 'UIT' naar 'AAN' of andersom. Als naar 'AAN' wordt
geschakeld, wordt het op dat moment vrije geheugen in gebruik genomen tot een
maximum van 128k. Op de info-regel verschijnt de mededeling:

	...k printerbuffer geinstalleerd   ** Druk een toets **

Indien er minder dan 16k geheugen nog vrij is, verschijnt de mededeling:
"Geen vrij geheugen meer beschikbaar voor printerbuffer  ** Druk een toets **"
Zodra U een toets drukt springt het oplichtende vakje weer naar 'UIT'.

Als de printerbuffer 'AAN' staat en U gaat kaarten wijzigen of nieuwe kaarten
toevoegen aan het bestand, kunt U een melding krijgen dat het geheugen vol is
zodra een vrij blok van 16k benodigd is voor het bestand. Het uitschakelen van
de printerbuffer is dan voldoende om het geheugengebrek op te heffen.


RESUME

Hoewel het verklaren van het programmeren van de printerdriver 5 pagina's
beslaat, is het programmeren zelf een vrij eenvoudige zaak. De oplichtende
kommandoletters en resultaten zorgen voor een optimaal bedieningsgemak met een
gering aantal te bedienen toetsen. Achterin deze handleiding vindt U een
structuurschema van dit programma. Het geeft een globaal overzicht van de
mogelijkheden en de onderlinge samenhang van de diverse funkties.


		    PROGRAMMEREN SELECTIEF VELDEN PRINTEN
		    

Deze programmering is een apart onderdeel van de printerdriver, speciaal toe-
gesneden op printen van alleen de ingevulde velden van kaarten. Evenals bij
het printen van de gehele kaart (vorige hoofdstuk) kan voor de velden gekozen
worden tussen f van alle kaarten f van met zoekfunkties geselecteerde kaar-
ten. Bij elk van deze 2 mogelijkheden kan bovendien gekozen worden voor uit-
printen van f alle velden, f een te selecteren aantal velden in door U te
kiezen volgorde. Deze laatste mogelijkheid is o.a. geschikt voor het printen
van etiketten, zoals: adreslabels, labels voor CD's, platen, musicassettes
enz. enz.

Als optie "S" uit het printermenu wordt gekozen, wordt het printermenu vervan-
gen door onderstaand programmeervenster. De nummers in de linkermarge zijn
toegevoegd om de regel aan te duiden bij het bespreken van de funktie van een
regel. De kommandoletters staan in oplichtende vakjes. Daardoor zijn bedie-
ningsaanwijzingen niet nodig. De geprogrammeerde opties staan ook in oplichten-
de vakjes zodat in n oogopslag te zien is wat er geprogrammeerd is.

EVEN ONTHOUDEN: Zolang de cursor in beeld is, is een programmeer-aktie niet
		afgesloten. Er wordt dan niet gereageert op een kommandoletter
		en ook niet op de ESC-toets.

  Ŀ
  	     PROGRAMMERING SELECTIEF VELDEN PRINTEN (VIA 'CTRL-S')           
  Ĵ
1 		    Velden van Alle kaarten automatisch printen  ja/nee     
2 	      Velden van Opgezochte kaarten automatisch printen  ja/nee     
3 				  Alle Velden van kaart printen  ja/nee     
   Volgorde te printen veldinhoud (regelnummers):		Ĵ
4   .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..  (ESC: herstel)
  Ĵ
5 			      Uitlijnen links of rechts lin/re 	     
6 	     Linker Marge gewenst (bij links uitlijnen) ja/nee  breedte 1   
7  2 velden komBineren tot 1 regel, 2 spaties ertussen ja/nee  nrs. .. ..  
8  2 velden kombIneren tot 1 regel, 2 spaties ertussen ja/nee  nrs. .. ..  
9  Aantal blanco Regels tussen de velden van 2 kaarten extra linefeeds 1   
10			      Continue printen	 ja/nee Kaarten/pagina  1   
11			 Automatische Formfeed	 ja/nee		     
  Ĵ
12    ESC: Programmering afsluiten	   Gebruik printerbuffer AAN/UIT     
  

VELDEN VAN ALLE KAARTEN  JA/NEE   regel 1

Letter "A" (van Alle) is de kommandoletter. Als die gedrukt wordt verspringt
het oplichtende vakje van 'ja' naar 'nee' of andersom. Met 'ja' kiest U voor
het printen van velden uit alle kaarten. De wijze waarop dit gebeurt hangt af
van de programmering van de regels 5 t/m 11, zie verderop.
Indien in regel 2 al voor 'ja' was gekozen, zal daar het oplichtende vakje
verspringen van 'ja' naar 'nee'. Er kan n.l. maar n van de opties op regels
1 en 2 gekozen worden. Indien op beide regels 1 en 2 "NEE" is gekozen wordt de
printopdracht (CTRL-S) nmalig uitgevoerd. Zie volgende alinea.

VELDEN VAN OPGEZOCHTE KAARTEN  JA/NEE	regel 2

letter "O" (van Opgezochte) is de kommandoletter. Als die gedrukt wordt ver-
springt het oplichtende vakje van 'ja' naar 'nee' of andersom. Met 'ja' kiest
U voor het uitprinten van kaarten welke met zoekfunktie(s) zijn geselecteerd.

Indien in regel 1 al voor 'ja' was gekozen, zal daar het oplichtende vakje
verspringen van 'ja' naar 'nee'. Er kan n.l. maar n van de opties op regels
1 en 2 gekozen worden.

Indien op de regels 1 en 2 beiden voor "NEE" wordt gekozen, zal door drukken
van "CTRL-S" alleen de velden worden geprint van de kaart, welke op het scherm
staat. Het printen zelf geschied volgens de hierna volgende programmeringen.
U kunt hiermee het effekt van die programmering kontroleren en eventueel
korrecties aanbrengen, voordat u met printen begint. Pas als op regel 1 of op
regel 2 "JA" is geprogrammeerd, zal het automatisch printen met CTRL-S worden
gestart.

Indien op regel 2 "JA" is geprogrammeerd moet U na het voltooien van de pro-
grammering van alle gewenste details naar de zoekfunkties gaan. (zie pagina 18)
Er wordt pas met printen begonnen als een opgezochte kaart op het scherm is
gezet en als tevens de toetskombinatie "CTRL-S" wordt gedrukt (of al eerder
was gedrukt) voor automatisch velden printen. Met CTRL-S kunt U dus kiezen
met welke opgezochte kaart het printen moet beginnen. Daarna worden de velden
van elke opgezochte kaart automatisch uitgeprint volgens de programmering in
dit venster.


ALLE VELDEN VAN KAART PRINTEN  JA   regel 3

Letter "V" (van Velden) is de kommandoletter. Als die gedrukt wordt verspringt
het oplichtende vakje van 'ja' naar 'nee' of andersom.

Indien voor 'ja' is gekozen worden op regel 4 de regelnummers van alle aanwe-
zige velden ingevuld (in volgorde van regelnummer) op de plaats waar in het
voorbeeld hierboven de puntjes staan. Wat nu op regel 4 tussen haakjes staat
ontbreekt. De velden worden geprint in de volgorde van regel 4, de wijze
waarop geprint wordt is afhankelijk van de programmering van de regels 5
t/m 11, zie verderop.

ALLE VELDEN VAN KAARTPRINTEN  NEE   regel 3

Indien voor 'nee' is gekozen, verschijnen de woorden "(ESC: herstel)" op het
eind van regel 4. Verder is regel 4 blanco en de cursor is aan het begin van
regel 4 geplaatst. U dient nu de regelnummers in te geven van de velden welke
U uit wilt laten printen. De volgorde van de regelnummers kunt U vrij kiezen.
Dit is tevens de volgorde, waarin de velden zullen worden afgedrukt.

Als U al eens eerder regelnummers geprogrammeerd had, staan die regelnummers nu
op regel 4 met de cursor achter het laatste nummer. U kunt die naar behoefte
wijzigen.


INVULLEN/WIJZIGEN VAN VELDSELECTIE   regel 4

Als er 'nee' is gekozen op regel 3, zijn de de volgende toetsen aktief:
Cijfertoetsen, cursor/links/rechts, BS-toets, INS-toets, ESC-toets en RET-toets

Als regel 4 al eens eerder was geprogrammeerd, staan de regelnummers apart op-
geslagen in het geheugen. Dat kan dus "niets" zijn als er nog niet eerder iets
was geprogrammeerd. Als U regelnummers invult of wijzigt en U maakt daarbij een
fout, kunt U de begintoestand van regel 4 herstellen door op ESC te drukken.
Vandaar de herinnering aan deze mogelijkheid op het eind van regel 4.

U moet de regelnummers in de gewenste volgorde (voor velden afdrukken) intypen.
Voor een regelnummer worden maximaal 2 cijfers geaccepteerd. U kunt verbete-
ringen aanbrengen met de BS-toets. Zodra de RET-toets wordt gedrukt wordt
gekontroleerd of er een veld bestaat op dit regelnummer. Zo neen, dan ver-
schijnt een foutmelding op de info-regel en moet U de fout eerst verbeteren
voordat U verder kunt gaan. Als het regelnummer in orde blijkt verspringt de
cursor naar de invulplaats voor een volgend regelnummer. Er is dan enige ruimte
tussen het laatste nummer en de cursor.

Bij deze situatie moet U even oppassen. Als nu n.l. de RET-toets wordt gedrukt,
wordt het programmeren van regel 4 afgesloten, verdwijnt de cursor uit beeld
en kunt U niets meer veranderen. U kunt ook niet meer de beginsituatie terug-
halen met de ESC-toets, omdat U een nieuwe serie nummers heeft geprogrammeerd.
Kontroleer dus eerst of de regelnummers in de juiste volgorde zijn ingevuld,
voordat U het programmeren van regel 4 afsluit. (Zie ook aanwijzingen voor
regel 7 en 8)

U kunt nu nog ergens wijzigingen aanbrengen. U moet echter onthouden, dat elke
wijziging bevestigd moet worden met de RET-toets. Als U dat zou vergeten,
wordt de wijziging op het scherm NIET IN HET GEHEUGEN OPGESLAGEN ! Als U b.v.
de laatste 2 nummers wilt wissen, dan drukt U eerst de cursor/links-toets om
de cursor terug te zetten achter het laatste nummer, vervolgens wist U dit met
de BS-toets. Stel dat U nu vergeet om de RET-toets te drukken en nogmaals de
cursor/links-toets drukt, het voorlaatste nummer wist en daarna de RET-toets
drukt. Op dat moment blijkt wel het voorlaatste nummer gewist te zijn (door
RET) doch het laatste nummer verschijnt weer op de plaats waar het voorlaatste
nummer heeft gestaan, met de cursor erachter, omdat U verzuimd had de RET-
toets te drukken bij de eerste keer wissen.

Met de cursor/links/rechts toetsen kunt U naar elk reeds ingegeven nummer gaan
om dit te wissen of te veranderen. Na drukken van de RET-toets wordt de
verandering definitief en verhuist de cursor weer naar achter het laatste
nummer. Bij wissen worden de volgende nummers naar links verschoven zodat geen
lege plaatsen ontstaan.

De uiterste positie van de cursor is het 1e cijfer van het 1e nummer. Met de
cursor/links-toets kunt U dus nooit de cursor voorbij het 1e nummer sturen als
die al achter het 1e nummer staat. Om toch een regelnummer in te kunnen voegen
vr het 1e nummer moet de cursor ACHTER een regelnummer worden gezet om
ERVOOR een regelnummer in te voegen. Door drukken van de INS-toets worden alle
nummers VANAF het nummer, WAAR DE CURSOR ACHTER STAAT, naar rechts geschoven.

De cursor verspringt naar de vrij gemaakte lege plaats, waar het in te voegen
regelnummer ingetypt kan worden. Na drukken van de RET-toets wordt de cursor
weer achter het laatste nummer gezet.

Als de ingevulde regelnummers in de juiste volgorde zijn ingegeven kunt U het
programmeren van regel 4 afsluiten met de RET-toets. Indien door wijzigingen
aanbrengen de cursor weer achter het laatste nummer staat moet U 2 maal op de
RET-toets drukken. 1 Maal om de cursor te verplaatsen naar de volgende invul-
plaats en 1 maal om het programmeren af te sluiten. De cursor verdwijnt daar-
door uit beeld. Als U na afsluiten toch nog een foutje ontdekt, drukt U 2 maal
de kommandoletter "V". De cursor komt dan weer in beeld, zodat U alsnog ver-
beteringen kunt aanbrengen, zie hierboven.

UITLIJNEN TE PRINTEN VELDEN LINKS/RECHTS   regel 5

Letter "U" (van Uitlijnen) is de kommandoletter. Als die gedrukt wordt, ver-
springt het oplichtende vakje van 'lin' naar 're' of andersom.

Als naar rechts uitlijnen wordt geschakeld, is uiteraard de optie "linker
marge" op regel 8 niet mogelijk. Daarom zal op regel 8 het oplichtende vakje
naar 'nee' worden omgeschakeld als dit op 'ja' stond.
LINKER MARGE  JA/NEE   regel 6

Deze optie is bedoeld om bij printen van etiketten met geselecteerde velden het
printen op de gewenste horizontale plaats te laten beginnen. Letter "M" (van
Marge) is de kommandoletter. Als die gedrukt wordt verspringt het oplichtende
vakje van 'ja' naar 'nee' of andersom. Indien 'ja' wordt gekozen wordt de
cursor achter het voorgeprogrammeerde minimum aantal spaties (1) geplaatst. U
kunt het aantal spaties (breedte van linker marge) veranderen door de BS-toets
te gebruiken en daarna het gewenste aantal spaties te typen. Er worden maximaal
2 cijfers geaccepteerd.

Door 2 maal de RET-toets te drukken wordt de marge geprogrammeerd en verdwijnt
de cursor uit beeld. Indien "0" (nul) wordt ingetypt zal het programma dit
veranderen in 1, het minimum aantal. Indien op regel 5 rechts uitlijnen was
gekozen, zal op die regel het oplichtende vakje verspringen naar 'lin'. Rechts
uitlijnen + linker marge is n.l. niet tegelijk mogelijk.

Indien naar 'nee' wordt geschakeld, wordt het aantal spaties in het venster
gewist. De programmering blijft echter opgeslagen, hoewel die niet meer aktief
is. Zodra weer naar 'ja' geschakeld wordt, verschijnt het voorheen geprogram-
meerde aantal spaties weer in beeld en ook de cursor. Als de marge-breedte niet
verandert moet worden, moet 2 maal RET gedrukt worden om de cursor te laten
verdwijnen.


VELDEN KOMBINEREN   regels 7 en 8

U heeft 2 maal de mogelijkheid om 2 velden achter elkaar op 1 regel te printen.
Tussen de 2 velden worden 2 spaties ingevoegd door de printerdriver. Deze optie
kan b.v. gebruikt worden om bij een adressenbestand de postcode en plaatsnaam
weer achter elkaar te zetten als die in aparte velden waren ondergebracht. Dit
biedt n.l. extra mogelijkheden bij gebruik van de zoekfunkties "zoeken in ander
veld" of "zoeken in voorkeurveld". Met deze zeer snelle zoekfunkties kan dan
zowel naar een postcode als naar een plaatsnaam gezocht worden. Indien postcode
en plaatsnaam in hetzelfde veld staan, kan alleen naar de plaatsnaam worden
gezocht met de minder snelle zoekfunktie "zoeken in alle velden".

Letter "B" (van komBineren) is de kommandoletter voor regel 7. Voor regel 8 is
dat de letter "I" (van KombIneren). Als de kommandoletter wordt gedrukt ver-
springt het oplichtende vakje van 'ja naar 'nee' of andersom. Indien 'ja'
wordt gekozen wordt de cursor achter "nrs." geplaatst. Op de plaats waar de
puntjes staan komen de regelnummers, welke U in moet typen om de optie te
programmeren. Allereerst typt U het regelnummer van het veld dat als 1e van
2 velden geprint moet worden. (BS-toets voor verbeteren.)  Met de RET-toets
bevestigt U de ingave. Er wordt gekontroleerd of er een veld bestaat op het ge-
typte regelnummer. Zo niet, dan volgt een foutmelding op de info-regel.
U moet dan eerst de fout verbeteren voordat U verder kunt gaan. Vervolgens
wordt gekontroleerd of het 1e regelnummer ook op regel 4 staat. Zo neen, dan
volgt een foutmelding. Als U een typefout had gemaakt moet U het 1e regelnummer
verbeteren.

Indien op regel 3 voor 'nee' was gekozen en U verzuimd had het regelnummer in
te vullen op regel 4, dan moet U het ingetypte nummer op regel 7 (of 8) wissen
met de BS-toets en daarna RET drukken. Daardoor springt het oplichtende vakje
van 'ja' naar 'nee' en verdwijnt de cursor uit beeld. Dit laatste is nodig om
de kommandoletter voor regel 4 (2 maal) te kunnen drukken en het ontbrekende
regelnummer op regel 4 in te voegen. (Zie pag. 46)  Daarna kunt U opnieuw regel
7 (of 8) gebruiken om het 1e regelnummer in te geven.

Als het 1e ingetypte regelnummer in orde is bevonden springt de cursor naar de
invulplaats voor het 2e regelnummer. Dit 2e regelnummer hoeft niet op regel 4
te staan (mag wel). U typt nu het 2e regelnummer en drukt de RET-toets.
Er wordt gekontroleerd of er een veld bestaat op dit regelnummer. Zo neen,
foutmelding als hierboven. Zo ja, dan springt de cursor iets naar rechts en
moet nogmaals RET gedrukt worden. Daarmee is het programmeren gereed en ver-
dwijnt de cursor uit beeld.
U kunt de kombineer-optie uitschakelen door om te schakelen naar 'nee' met de
kommandoletter "B" (of "I"). De regelnummers in het venster worden dan gewist,
doch blijven wel bewaard. Ze verschijnen weer als naar 'ja' wordt omgeschakeld.
U kunt dan f de regelnummers veranderen, f wissen (zie hierboven), f U kunt
alleen de RET-toets 2 maal drukken om de cursor te laten verdwijnen. Als U de
regelnummers wist en daarna de RET-toets drukt, heeft U "NIETS" geprogram-
meerd. In dat geval springt het oplichtende vakje terug van 'ja' naar 'nee'.


AANTAL BLANCO REGELS   regel 9

Letter "R" (van Regels) is de kommandoletter. Als die wordt gedrukt, wordt de
cursor achter het voorgeprogrammeerde minimum aantal (1) geplaatst. De program-
mering gebeurt hetzelfde als bij de linker marge, zie vorige alinea.

Als U programmeert voor afdrukken op gewoon papier, is de afloop ietsje anders
dan bij het uitprinten van kaarten (zie pag. 42). Dit is nodig om etiketten te
kunnen printen ( zie hierna). Bij kaarten printen wordt BIJ ELKE NIEUWE
PAGINA het papier altijd 2 regels opgeschoven, zowel met als zonder afdrukken
van een paginanummer. Bij velden printen is dit mede afhankelijk van de instel-
ling voor "continue printen" op regel 10 en wel alsvolgt:

Paginanummering 'aan' + continue printen 'aan' of 'uit': 2 regels opschuiven.
Paginanummering 'uit' + continue printen 'uit':          2 regels opschuiven.
Paginanummering 'uit' + continue printen 'aan':       Geen regels opschuiven.

Bij het berekenen van de pagina-indeling dient U hiermee rekening te houden.
Zie ook "automatische formfeed" verderop.


PRINTEN VAN ETIKETTEN OP PINFEED-BAND

Voor het printen van zelfklevende etiketten, welke op een pinfeed papierband
zitten, kunt U alle benodigde instellingen maken met de opties op regels 5 t/m
11. Allereest moet U de "paginanummering" uitschakelen (zie pag. 39) om te
voorkomen dat het papier af en toe 2 regels wordt opgeschoven (voor paginanum-
mer + blanco regel).  Wat er verder geprogrammeerd moet worden kan het beste
worden verklaard met een voorbeeld.

Stel: De printer is ingesteld op de normale regelafstand van 6 regels per inch.
Stel: De etiketten zitten op 12 inch pinfeed-papier.
Stel: De afstand van begin etiket naar begin volgend etiket is 12 regels.
      Tussen elke perforatie zitten dan 6 etiketten.
Stel: U wilt 4 regels op elk etiket laten printen.

Programmeer de 4 te printen velden op regel 4. U heeft 12 - 4 = 8 blanco regels
nodig om de afstand tussen 2 etiketten te overbruggen. Die programmeert U op
regel 9.

Op 6 etiketten komt de inhoud van de geselecteerde velden van 6 kaarten. U
programmeert dus 6 kaarten op regel 10. Omdat U met pinfeed-papier werkt pro-
grammeert U "JA" voor continue printen op regel 10.

Rest nog te instelling van automatische formfeed ja/nee. Met een formfeed sig-
naal wordt de printer genstrueerd om bij kettingformulieren het papier over
de perforatie heen te verschuiven. Met de optie op regel 11 kan gekozen worden
om DIT PROGRAMMA een formfeed signaal naar de printer te laten sturen. Daardoor
wordt de kontrole over de formfeed overgenomen van de printer. Sommige printers
genereren ALTIJD een formfeed signaal als de perforatie bijna is bereikt, ook
als de printer al bezig is met het uitvoeren van een reeds ontvangen formfeed-
kommando. Als Uw printer deze verkeerde reaktie blijkt te vertonen is er maar
1 mogelijkheid: Het automatisch formfeed signaal gegenereerd DOOR DE PRINTER
moet worden uitgeschakeld.



Bij MSX-printers kan (meestal) met de instelling van een dip-schakelaartje
ingesteld worden of de printer het papier 1 inch verschuift rond de perforatie
of dit NIET DOET. Voor etiketten printen dient U voor het laatste te kiezen.
Bij IBM-kompatibele printers kan voor de z.g. "Bottom margin" en de "Top
margin" het aantal regels vr en na de perforatie worden ingesteld, welke
moeten worden overgeslagen. Daarnaast is er een commando genaamd "Cancel top
and bottom margins" beschikbaar, waarmee de instellingen voor "bottom margin"
en "top margin" worden opgeheven. De printercode voor "Cancel, etc." is voor
IBM:  ESC "O"  (hoofdletter O, niet nul) De code is dus in decimale getallen
27 en 79. In Uw printerhandleiding kunt U kontroleren of Uw printer deze IBM-
code kent om de formfeed uit te schakelen. Genoemde printercodes dient U dan
voor etiketten in de start setup-string te programmeren. (Zie pag. 33 en pag.
38)

Indien de etiketten op de pinfeed-drager allemaal op gelijke afstand van elkaar
zitten, ook rond de perforatie, dan is de zaak eenvoudig. (Bij het voorbeeld
hierboven is dat zo.) U zet de automatische formfeed op regel 11 op 'UIT' en
klaar is kees. De formfeed door de printer hoeft meestal niet uitgeschakeld te
worden (zie boven) en door de blanco regels is al doorgeschoven naar het
volgende etiket.

Indien de 2 etiketten rond de perforatie op een grotere afstand van elkaar
zitten, dan de andere etiketten, (komt zelden voor) dan zet U de automatische
formfeed op regel 11 op 'AAN'. Als het laatste etiket vr de perforatie is
geprint, geeft het programma nu een formfeed signaal voor opschuiven naar het
volgende etiket. Daardoor wordt de grotere afstand etiket vr- en etiket na de
perforatie overbrugd.

Indien U voor etiketten printen een andere regelafstand dan 6 (standaard) kiest
zal het na bovenstaande uitleg niet moeilijk zijn om de benodigde instellingen
te berekenen en te programmeren. Voor etiketten geldt echter: De formfeed door
de printer uitschakelen als die storend werkt. Automatische formfeed (regel 11)
op "NEE", indien de afstand tussen de 2 etiketten rond de perforatie even groot
als tussen de andere etiketten. Zo niet dan automatische formfeed (regel 11)
op "JA".


ZELFKLEVENDE ETIKETTEN PRINTEN WELKE OP LOSSE VELLEN ZITTEN

Op losse vellen zitten de etiketten bijna altijd niet alleen boven elkaar maar
ook naast elkaar. Onderstaande aanwijzingen gelden voor printen van etiketten,
welke ook NAAST ELKAAR op een vel zitten.

Indien U de printer wilt instellen d.m.v. setup-string(s) en resetten met een
reset-string en dit nog niet eerder gedaan heeft, lees dan eerst pagina 32 voor
ingeven setup-string(s) en pagina 39 voor het programmeren van setup-string(s)
en reset-strings in de printerdriver.

Ga naar het printermenu met F9 en kies daar optie "S". U krijgt dan het
instelvenster op het scherm voor velden printen. (Zie pagina 44) De benodigde
instellingen voor de vertikale afstand tussen de etiketten (aantal blanco
regels en aantal kaarten/pag.) berekent U als bij het voorbeeld op pagina 48.
Verder kiest U: Alle kaarten = NEE, Opgezochte kaarten = NEE, Uitlijnen = LIN,
Linker marge = JA, Breedte marge = 1, Automatische formfeed = JA, Continue
printen = Nee.

De te printen velden programmeert U volgens de aanwijzingen op pagina 44.
Plaats een gewoon vel papier in de printer voor het maken van een proefafdruk.
Door drukken van "CTRL-S" worden nmalig de geprogrammeerde velden afgedrukt
volgens de huidige programmering. Door deze proefafdruk te vergelijken met
het vel waarop de etiketten zitten kunt U zien of de beginpositie van de
1e geprinte regel overeenkomt met de gewenste plaats voor het 1e etiket
links/boven op het vel. Voor het korrigeren van de horizontale positie dient U
de programmering van de breedte van de linker marge aan te passen. Voor het
korrigeren van de vertikale positie moet U meten hoeveel mm. lager de begin-
positie moet zijn, dus hoeveel mm. een vel hoger in de printer geplaatst moet
worden om de juiste beginpositie te krijgen. Voor printers met sheetfeeder moet
U het aantal mm. omrekenen naar aantal regels. (Bij regelafstand 1/6 inch is 1
regel 4.2 mm.) Maak na korrektie opnieuw een proefafdruk om er zeker van te
zijn dat de beginpositie in orde is. Zodra dat ok is, kunt U in het program-
meervenster (zie pagina 44) kiezen voor of "alle kaarten" of "opgezochte
kaarten". Daardoor zullen bij een volgende printopdracht (CTRL-S) niet meer
nmalig de velden van 1 kaart worden geprint doch de velden van ALLE kaarten
of van alle OPGEZOCHTE kaarten.

Stel dat het aantal etiketten gelijk is aan het voorbeeld op pagina 48, doch
er zitten tevens 3 etiketten naast elkaar, dus 6 x 3 = 18 etiketten per vel.

U heeft nu de keuze uit 2 mogelijkheden:

1. U gebruikt alleen n vertikale rij van de etiketten op elk vel en gebruikt
   de resterende rijen etiketten bij een volgende printopdracht (waarbij U een
   daarbij passende breedte van de linker marge moet gebruiken).

2. U gebruikt de 3 rijen etiketten na elkaar met de daarvoor aanwezige speciale
   voorziening. Hiervoor moet U weten hoeveel vellen etiketten U nodig heeft.
   Als U b.v. 90 etiketten wilt printen heeft u 5 vellen met etiketten nodig.

Als uw printer een sheetfeeder heeft zal elk vel worden ingevoerd met een vaste
beginpositie. Als dat de vereiste verticale beginpositie gaf bij het maken van
een proefafdruk (zie hierboven) heeft U geluk. Is dit niet zo, dan kunt U de
sheetfeeder niet gebruiken voor het automatisch invoeren van de benodigde vel-
len, doch moet U steeds 1 vel in de sheetfeeder plaatsen, daarna het vel invoe-
ren met de daarvoor aanwezige toets op de printer en vervolgens de toets voor 1
regel opschuiven 1 maal drukken voor elke 4.2 mm. (regelafstand 1/6 inch) die
het vel opgeschoven moet worden om de vereiste verticale beginpositie te
krijgen.

PRINTEN VELDEN VAN OPGEZOCHTE KAARTEN

Indien voor printen van "opgezochte kaarten" is gekozen, dient U met F7 naar de
zoekfunkties te gaan en de gewenste zoekfunktie te selecteren en te starten.
Zodra de 1e gevonden kaart op het scherm is gezet, geeft U de printopdracht
"CTRL-S". Omdat "continueprinten NEE", is ingesteld (zie boven) verschijnt
op de info-regel de mededeling:

  "Plaats vel papier, druk spatiebalk  (ESC: wijzigen printerinstellingen)"

U dient op dit moment het nieuwe vel in te voeren en in de juiste verticale
positie te brengen. Na drukken van de spatiebalk worden de velden van de
gevonden kaart op een etiket geprint. Inmiddels is een volgende kaart gevonden
en de mededeling "Verder zoeken ?  J/N" verschenen. Nu moet U even oppassen.
Als U n.l. een andere toets drukt dan "J" wordt niet alleen het zoeken doch
tevens het printen beindigd !!  Door drukken van toets "J" wordt het volgende
etiket geprint en de volgende kaart opgezocht. Dit herhaalt zich tot het
laatste etiket van een rij is geprint. Dan verschijnt weer de mededeling
"Plaats vel papier"....etc. en bent U weer terug bij het begin van deze
alinea.

Indien U maar 1 rij etiketten gebruikt, gaat U gewoon door tot alle etiketten
zijn geprint. U kunt echter het printen eerder beindigen met het
print-kommando "CTRL-Q".

Indien U alle rijen etiketten wilt gebruiken had U vooraf beplaald hoeveel
vellen U nodig had (zie vorige pagina). Zodra de 1e rij etiletten op alle
benodigde vellen is geprint, moet U bij de mededeling "Plaats vel papier"
....etc. het 1e vel weer invoeren, maar NIET DE SPATIEBALK DRUKKEN DOCH
INPLAATS DAARVAN de ESC-TOETS drukken. Daardoor verschijnt het printermenu.
Daar kiest U optie "S" en het instelvenster verschijnt. Daar moet U de instel-
ling voor de breedte van de marge veranderen.


Stel dat de afstand tussen linkerzijde van etiketten van 1e rij en linkerzijde
van etiketten van 2e rij 2.5 inch is en er wordt geprint met een pitch van
12 karakters/inch. Dan moet de marge voor de 2e rij etiketten 2.5 maal 12 = 30
karakters breder zijn dan voor de eerste rij. Verander de margebreedte aldus,
druk ESC om terug te keren naar het printermenu en nogmaals ESC om het printer-
menu te verwijderen. Het printen wordt daardoor vervolgd. Zodra de 2e rij
etiketten OP ALLE BENODIGDE VELLEN is geprint moet U weer ESC drukken i.p.v. de
spatiebalk en de marge-breedte weer aanpassen voor de volgende rij etiketten
etc. als boven.

PRINTEN VELDEN VAN ALLE KAARTEN

Indien voor printen van velden van alle kaarten was gekozen, wordt het printen
gestart met "CTRL-S". Omdat er nu geen kaarten opgezocht hoeven worden, blijft
ook de mededeling "Verder zoeken ?  J/N" achterwege. Daardoor worden alle
etiketten in 1 rij zonder onderbreking geprint. Daarna verschijnt de
mededeling:

  "Plaats vel papier, druk spatiebalk  (ESC: wijzigen printerinstellingen)"

De gang van zaken voor printen van ALLE RIJEN OP EEN VEL is als boven
omschreven voor "opgezochte kaarten" n.l. ESC drukken i.p.v. spatiebalk om de
marge-breedte aan te passen voor het printen van een volgende rij etiketten
(zodra 1 rij op alle vellen is geprint).


CONTINUE PRINTEN  JA/NEE   regel 10 (linker deel)


Letter "C" (van Continue) is de kommandoletter, waarmee U kunt wisselen tussen
'ja' en 'nee'. Een van deze 2 woorden staat in een oplichtend vakje om aan te
geven, wat er geprogrammeerd is.

Als 'nee' in een oplichtend vakje staat zal, zodra het vel papier vol is, het
vel worden uitgeworpen door de printer. Tegelijk verschijnt op de info-regel
het bericht:   "Plaats papier in printer en druk spatiebalk"     Zodra dat is
gebeurt wordt het printen vervolgd.

Als Uw printer een automatische papierinvoer heeft (z.g. sheetfeeder) of als U
met kettingformulieren werkt, kan het printen continue verlopen. Indien bij
continue printen voor 'ja' is gekozen wordt na de papierwisseling het printen
direkt vervolgd en bovengenoemd bericht blijft achterwege.

Als een met zoekfunktie(s) gevonden kaart op het scherm wordt gezet zal op de
info-regel tegelijk de vraag "Verder zoeken J/N  ?" verschijnen. Bij printen
van 'velden van opgezochte kaarten' gebeurt dit normalerwijze ook. Als echter
voor continue printen 'ja' is gekozen wordt direkt doorgegaan met zoeken, nadat
de inhoud van de velden van de kaart naar de printer is verzonden en voornoemde
vraag blijft achterwege. Het printproces wordt dan niet onnodig onderbroken.


AANTAL KAARTEN PER PAGINA (VELDEN DAARVAN)   regel 10 (rechter deel)


Letter "K" (van Kaarten/pagina) is de kommandoletter. Als die wordt gedrukt,
wordt de cursor achter het voorgeprogrammeerde minimum aantal (1) geplaatst.
De programmering gebeurt hetzelfde als bij de linker marge, zie pag. 47.
Op pag. 42 kunt U lezen hoe U de pagina-indeling kunt berekenen. Alleen het
aantal regels is nu anders. Dat is het aantal nummers op regel 4 (exclusief
evt. 2e regelnr. voor de kombi-funktie). U moet er rekening mee houden, dat bij
VELDEN printen ZONDER PAGINA NUMMERING en MET CONTINUE PRINTEN. er aan het
begin van een nieuw vel papier NIET 2 blanco regels worden geprint. Dit zou
n.l. het printen van etiketten kunnen verstoren.



AUTOMATISCHE FORMFEED	regel 11

Letter "F" (van Formfeed) is de commandoletter. Als die wordt gedrukt ver-
springt het oplichtende vakje van 'ja' naar 'nee' of andersom. Bij 'ja' stuurt
de printerdriver het formfeed signaal naar de printer nadat de velden van de
laatste kaart voor een pagina + het aantal geprogrammeerde blanco regels (op
regel 10) naar de printer gestuurd zijn.

Als voor 'ja' is gekozen is het mogelijk dat een door de printer gegenereerd
formfeed signaal storend werkt. Hoe U het formfeed signaal van de printer kunt
uitschakelen kunt U vinden in het hoofdstuk "Etiketten printen". Zie pag. 49

Met een voorbeeld wordt het nut van deze optie het beste verduidelijkt.
Stel u wilt 6 velden per kaart uit laten printen. Op regel 4 staan dan 6 regel-
nummers. Stel U heeft 1 blanco regel (minimum) op regel 8 geprogrammeerd. Voor
het printen van de gegevens van 1 kaart gebruikt de printer nu 6+1 = 7 regels.
Aangenomen dat Uw printer 60 regels op een pagina kan printen (of zo is inge-
steld voor 10 inch kettingformulieren). Er passen dan velden van 8 kaarten op
1 pagina. Daarvoor zijn 8 maal 7 = 56 regels nodig. Er zijn nog 4 regels over.

Als er voor 'automatische formfeed NEE' is gekozen, zal een MSX-printer op de
57e regel beginnen met velden printen van de 9e kaart. Na 4 regels is de pagina
vol en stuurt de printer een formfeed signaal waardoor het vel papier wordt
uitgeworpen. Bij kettingformulieren wordt het papier 1 inch doorgeschoven over
de perforatie heen. Met een sheetfeeder wordt een nieuw vel papier ingevoerd.
Bij tenminste 2 van deze 3 mogelijkheden is het resultaat, dan de te printen
serie velden niet meer op hetzelfde blad staat. Dat is erg slordig en dus
ongewenst.

Het punt waar het om gaat is het volgende: Als de laatste regel, welke de
printer op een pagina zet (bij gebruik van losse vellen) tevens de laatste
blanco regel is (geprogrammeerd op regel 9) dan alleen mag de printer het
formfeed signaal geven. Indien de formfeed bij de printer wordt uitgeschakeld
en tevens de automatische formfeed (regel 11) op 'ja' gezet wordt, dan is het
ABSOLUUT ZEKER dat ALTIJD de velden van een kaart op n pagina komen en nooit
verdeeld over 2 pagina's.


PRINTERBUFFER AAN/UIT	regel 12

Dit is exact dezelfde optie als die op regel 12 van het andere programmeerven-
ster voor de printerdriver. De details hiervan vindt U op pag. 43. U kunt zowel
hier als in het andere programmeervenster de printerbuffer in- en uitschakelen.


PROGRAMMEREN AFSLUITEN

Als U klaar bent met programmeren drukt U de ESC-toets om terug te keren naar
het printermenu. Om het programma af te kunnen breken moet U het printermenu
verwijderen met de ESC-toets. U komt dan terug op het kommando-niveau, waar U
de kunktietoetsen F1 t/m F10 kunt gebruiken.


ZOEKFUNKTIES & PRINTERFUNKTIES KOMBINEREN

De printerfunkties dienen altijd eerst ingesteld te worden. Als dat gebeurt is
kan met CTRL-P gekozen worden voor kaarten printen of met CTRL-S voor velden
printen. Als NIET voor continue printen is gekozen kan CTRL-P of CTRL-S ook
later gedrukt worden als de 1e opgezochte kaart op het scherm is gezet.

Op de laatste pagina vindt U een struktuur-schema van dit programma. Dit geeft
een overzicht van de beschikbare funkties en hun onderlinge samenhang.





			  ALFABETISCHE INDEX

FLEXBASE HOOFDPROGRAMMA

Pag.
2     Algemene informatie
4     Beeldschermindeling
6     Editor
9     Genereren werkprogramma
7     Kaartontwerp, tips voor
4     Kleurenpalette
5     Kommandotoetsen
8     VeldeN definiren

FLEXBASE WERKPROGRAMMA

Pag.
15    Alfabetisch sorteren op voorkeurveld
37    Conversietabel 'andere' printer
35    Conversietabel IBM-printer programmering
37    Conversie-data IBM-printer wijzigen/wissen
16    Eigen kaartnrs. gebruiken
49    Etiketten printen op losse vellen
48    Etiketten printen op pinfeed-band
14    Handleiding (begin)
14    Helptoets F1
15    Indexnummer
13    Inleiding
16    Invullen kaarten
41    Kaarten printen, instellingen
16    Kaarten wijzigen
17    Kommandotoetsen
20    Meervoudig zoeken programmeren
31    Printerfunkties, aanpassing aan beschikbare printer
43,52 Printerbuffer aan/uit schakelen
39    Printerdriver programmering
32    Printermenu
38    Printopdrachten, overzicht van
24    Rekenfunkties
25    Rekenfunkties programmeren
32    Setup-strings programmeren
35    Setup-strings wijzigen/wissen
44    Velden printen, instellingen
15    Verwerkingssnelheid
15,18 Voorkeurveld
20    Voorkeurveld instellen/veranderen
18    Zoekfunkties
19    Zoeken in alle velden
19    Zoeken in 'ander' veld
18    Zoeken in voorkeurveld
23    Zoeken naar numerieke waarde (grotere/kleinere)
52    Zoekfunkties kombineren met printfunkties




Wist U dat MAD Doetinchem ook een programma levert om of: de MSX-KARAKTERSET
(kompleet en zonder fouten) of: de IBM-KARAKTERSET 2 op TURBO-R te gebruiken.
Bij TURBO-R A1-GT is het mogelijk om het karakterset-programma in de SRAM te
laden. Het programma blijft dan na uitschakelen van de GT aanwezig !!!
Printerdriver voor IBM-kompatibele printer ingebouwd, welke automatisch aktief
wordt als de IBM-karakterset wordt gekozen. Programma kan op harddisk gezet
worden voor automatisch laden bij opstarten. Bij TURBO-R ST laden van diskette
(of harddisk) in enkele sekonden.	    Prijs slechts fl. 15,--

			      PROGRAMMA STRUKTUUR
			      
				       
	  Ŀ
	  				      FUNKTIES
    INVULLEN KAART    F1 - Helpvenster  F2 - Kaart opslaan
        F3 - Volgende kaart  F4 - Vorige kaart
		      F5 - Nieuwe kaart  F6 - Kaart wissen
		        F10 - Progr.afbreken
		    SELECT			 
	     kaartnummer ingeven		 
		kaart opzoeken			 
					 
	Ŀ
				       			     
       F 8			     F 7			    F 9
   REKENFUNKTIES		       		      PRINTERFUNKTIES
(Kombineerbaar met) -------->	 ZOEKFUNKTIES	 <--------- (Kombineerbaar met)
				       			     
   Programmeren 	       Ŀ	     
			Enkelvoudig zoeken	Meervoudig zoeken    
    Uitvoeren		       		       	     
    		       		  Programmeren	     
	Ŀ        	     
    Numerieke	    In een	In ander   In alle     	     
     waarde	 voorkeurveld	  veld	    velden     	     
     zoeken	               	     
			       		       	     
  Waarde ingeven       Zoekstring ingeven      Zoekstrings ingeven   
			       		       	     
Keuze groter/kleiner	   Uitvoeren		   Uitvoeren	     
			   		   	     
    Uitvoeren							PRINTERMENU
    	  Ĵ
	     MSX printer       IBM-kompatibele	    Andere printer   
		  		   printer		  	     
		  		       		  	     
		  	       conversie tabel	   conversie tabel   
		  	     voorgeprogrammeerd  voorgeprogrammeerd  
		  		       		  	     
	    Setup-strings	Setup-strings	    Setup-strings    
	      nmalig		  nmalig	      nmalig	     
	    programmeren	programmeren	    programmeren     
	    		         
					     
				       PRINTERDRIVERS
			     Ŀ
			     				     
		   Voor kaarten printen      Voor (selectief) velden printen
		   + keuze setup-strings	  + keuze printerbuffer
		   + keuze pag. nummering		     
		   + keuze printerbuffer		     
			     				     
		   nmalig programmeren	   nmalig programmeren
		   	   

					PRINTKOMMANDO's
			Ŀ
		     CTRL-D		   CTRL-P		 CTRL-S
		   nmalige	      Start automatisch     Start automatisch
		   screendump	       kaarten printen	      velden printen
		   	      als geprogrammeerd    als geprogrammeerd
					      
						      CTRL-Q
						  Printen stoppen
						  
